De rechtbank Amsterdam behandelde op 21 augustus 2024 de vordering van de officier van justitie tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Centrale Rechtbank voor de Stadsdistricten van Pest, Hongarije. Het EAB betrof de aanhouding en overlevering van een persoon die wordt verdacht van georganiseerde of gewapende diefstal, strafbaar gesteld onder de Hongaarse wetgeving.
De opgeëiste persoon verscheen ter zitting en werd bijgestaan door zijn advocaat en een tolk. Hij bracht naar voren dat hij een tumor in zijn strottenhoofd heeft en dat hij medische behandeling in Nederland wenst te ontvangen. De rechtbank oordeelde echter dat medische omstandigheden geen grond vormen om overlevering te weigeren. Wel kan de officier van justitie deze omstandigheden meenemen bij de feitelijke beslissing over overlevering.
De rechtbank stelde vast dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat er geen weigeringsgronden zijn. Gezien het feit dat het strafbare feit op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet staat en de straf dreigt te zijn van ten minste drie jaar, is een onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege gelaten.
De rechtbank besloot daarom de overlevering toe te staan en wees op het ontbreken van een gewoon rechtsmiddel tegen deze uitspraak. De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee rechters in aanwezigheid van de griffier en in het openbaar.