De rechtbank Amsterdam behandelde een ontnemingsvordering op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht, voortvloeiend uit een eerdere veroordeling van veroordeelde voor meerdere bedrijfsinbraken in 2015 en 2016. De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van €5.873,58 aan wederrechtelijk verkregen voordeel, dat op de zitting van 3 juli 2024 werd verminderd tot €4.405,00 vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank stelde vast dat de bedrijfsinbraken gezamenlijk een opbrengst van €19.620,75 hadden, waarvan het aandeel van veroordeelde werd berekend op €5.873,58 door de opbrengst pondspondsgewijs te verdelen over de betrokkenen. De verdediging voerde geen inhoudelijk verweer tegen de berekening, maar stelde primair dat de betalingsverplichting op nihil moest worden gesteld wegens draagkracht, en subsidiair dat de vordering moest worden verminderd vanwege termijnoverschrijding.
De rechtbank verwierp het draagkrachtverweer omdat onvoldoende was onderbouwd dat veroordeelde niet aan de betalingsverplichting kan voldoen. Wel erkende de rechtbank een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan vijf jaar en acht maanden, zonder gegronde reden. Daarom werd het te ontnemen bedrag met 25% verlaagd tot €4.405,00, dat veroordeelde aan de Staat moet betalen. Tevens werd een gijzelingstermijn van 88 dagen bepaald.