De rechtbank Amsterdam heeft op 7 augustus 2024 uitspraak gedaan over de vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Tsjechische autoriteiten. De opgeëiste persoon, geboren in 1990 en zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van mishandeling, vernieling en diefstal waarvoor een vrijheidsstraf van twaalf maanden is opgelegd.
Tijdens de zitting van 24 juli 2024 verscheen de opgeëiste persoon, bijgestaan door een advocaat en een tolk. De rechtbank verlengde de beslistermijn met 30 dagen om een zorgvuldige beoordeling mogelijk te maken. De identiteit en nationaliteit van de opgeëiste persoon werden bevestigd.
De rechtbank stelde vast dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen van de Overleveringswet en dat geen weigeringsgronden aanwezig waren. De feiten waarvoor overlevering werd verzocht, vereisten dubbele strafbaarheid, welke volgens Nederlands recht overeenkomen met mishandeling, vernieling en diefstal. De rechtbank besloot de overlevering toe te staan, waarmee uitvoering kan worden gegeven aan het Tsjechische vonnis.