Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2024:3757

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 juni 2024
Publicatiedatum
24 juni 2024
Zaaknummer
10821602 \ CV EXPL 23-15133
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 2 Verordening (EU) 1215/2012Art. 3 Verordening (EG) 593/2008Art. 6 Verordening (EG) 593/2008Titel 2A Boek 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over toepasselijk recht en precontractuele verplichtingen in kredietovereenkomst met Finse bank

In deze civiele zaak tussen Nordea Bank ABP, gevestigd in Finland, en een consument die oorspronkelijk in Finland woonde maar nu in Nederland, heeft de rechtbank Amsterdam een tussenvonnis gewezen. De zaak betreft een kredietovereenkomst met internationale aspecten, waarbij de toepasselijkheid van Nederlands of Fins recht centraal staat.

De kantonrechter heeft vastgesteld dat hij bevoegd is op grond van artikel 18 lid 2 van Pro Verordening (EU) 1215/2012, omdat de consument nu in Nederland woont en hier is verschenen. De rechtbank heeft partijen gevraagd zich uit te laten over de vraag of Nordea Bank ook activiteiten in Nederland ontplooit, wat relevant is voor de keuze van het toepasselijke recht volgens artikel 3 en Pro 6 van Verordening (EG) 593/2008 (Rome I).

Daarnaast heeft de rechtbank Nordea Bank verzocht haar stellingen over de naleving van precontractuele verplichtingen, waaronder de kredietwaardigheidstoets, nader te onderbouwen met stukken. De zaak is verwezen naar de rol van 4 juli 2024 voor het nemen van een akte door Nordea Bank, waarna de consument een antwoordakte kan indienen. De verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: De rechtbank houdt verdere beslissing aan en stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten over toepasselijk recht en nakoming precontractuele verplichtingen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10821602 \ CV EXPL 23-15133
Vonnis van 6 juni 2024
in de zaak van
NORDEA BANK ABP,
te Helsinke (Finland),
eisende partij,
hierna te noemen: Nordea Bank,
gemachtigde: Collect & Legal Service B.V.,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 februari 2024
- de akte van Nordea Bank, met producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis van 8 februari 2024 is Nordea Bank in de gelegenheid gesteld stukken in de procedure te brengen zodat de kantonrechter de bepalingen van titel 2A van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan toetsen. Ook is Nordea Bank in de gelegenheid gesteld toe te lichten op welke wijze zij heeft voldaan aan haar precontractuele verplichtingen, waaronder de toetsing van de kredietwaardigheid van [gedaagde] . Nordea Bank is gevraagd op welk beding in de algemene voorwaarden zij zich beroept wat betreft de gevorderde vertragingsrente, omdat de kantonrechter ambtshalve moet beoordelen of bedingen waarop Nordea Bank zich beroept, oneerlijk zijn. Tot slot is bepaald dat Nordea Bank haar vordering, voor zover deze betrekking heeft op bedingen in de algemene voorwaarden, moet specificeren.
2.2.
Nordea Bank heeft bij haar akte onder meer de algemene voorwaarden overgelegd.
2.3.
Gelet op de stukken in het dossier stelt de kantonrechter vast dat deze zaak een internationaal karakter heeft. Nordea Bank is namelijk in Finland gevestigd en [gedaagde] was ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst woonachtig in Finland, maar nu in Nederland.
2.4.
De kantonrechter moet daarom in de eerste plaats ambtshalve nagaan of hij bevoegd is om kennis te nemen van het geschil. Op grond van artikel 18 lid 2 Verordening Pro (EU) 1215/2012 (Brussel I bis) is de Nederlandse rechter bevoegd, omdat [gedaagde] zijn woonplaats nu in Nederland heeft. Daarbij is hij voor dit gerecht verschenen. Dat betekent dat de kantonrechter bevoegd is.
2.5.
Omdat vaststaat dat sprake is van een overeenkomst gesloten met een consument, moeten verplichtingen die zijn vastgelegd in Europese richtlijnen ambtshalve worden getoetst. Daarvoor moet wel worden vastgesteld naar welk recht deze verplichtingen moeten worden getoetst; naar Fins of Nederlands recht. Dit wordt bepaald op grond van de regels in artikel 3 en Pro 6 Verordening (EG) 593/2008 (Rome I). Hiervoor is relevant of Nordea Bank ook in Nederland actief is.
2.6.
Voordat de kantonrechter over het toe te passen recht een beslissing neemt, stelt hij partijen in de gelegenheid zich uit te laten over of Nordea Bank ook activiteiten ontplooit in Nederland of zich richt op Nederland als bedoeld in artikel 6 van Pro de Rome-I-Verordening.
Als partijen van mening zijn dat niet het Nederlandse recht maar het Finse recht van toepassing is, verzoekt de kantonrechter partijen hem voor te lichten over de toepasselijke bepalingen uit het Finse recht. Weliswaar zijn ook de Finse bepalingen op dezelfde richtlijnen gebaseerd als de Nederlandse wat betreft ambtshalve toetsing in consumentenzaken. Maar met name zijn de toepasselijke sancties die staan op schendingen van de kredietwaardigheidstoets en de precontractuele informatieverplichtingen aan de lidstaten overgelaten.
2.7.
Daarnaast constateert de kantonrechter dat Nordea Bank in haar akte wel heeft toegelicht dat zij heeft voldaan aan haar precontractuele verplichtingen, maar dat een nadere onderbouwing hiervan ontbreekt. De kantonrechter stelt Nordea Bank daarom in de gelegenheid haar toelichting nader te onderbouwen met stukken waaruit blijkt dat zij heeft voldaan aan haar precontractuele verplichtingen, waaronder de toetsing van de kredietwaardigheid van [gedaagde] .
2.8.
De zaak wordt hiervoor verwezen naar de rol van donderdag 4 juli 2024 voor het nemen van een akte door Nordea Bank. Daarna mag [gedaagde] een antwoordakte nemen.
2.9.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
donderdag 4 juli 2024voor het nemen van een akte door Nordea Bank over wat is vermeld onder 2.6. en 2.7., waarna [gedaagde] op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Otten en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2024.
57327