De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van gewoontewitwassen van 297,7 bitcoins in de periode van januari 2016 tot maart 2022 en feitelijk leidinggeven aan gewoontewitwassen in 2016-2017. Het Openbaar Ministerie vorderde een gevangenisstraf en geldboete, stellende dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de bitcoins van misdrijf afkomstig waren, mede gelet op de omvang en duur van de transacties.
De verdediging betoogde dat niet kon worden vastgesteld dat de bitcoins van het darknet afkomstig waren en dat verdachte niet wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de bitcoins crimineel waren. De rechtbank oordeelde dat hoewel een deel van de bitcoins via blockchainanalyse indirect van het darknet afkomstig was, niet kon worden vastgesteld dat verdachte hiervan op de hoogte was. Ook was niet duidelijk of de ten laste gelegde bitcoins met cash waren betaald.
Gezien het ontbreken van bewijs dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de bitcoins crimineel waren, sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. De rechtbank baseerde zich op het vermoeden van criminele herkomst van bitcoins van darknet markets, maar vond dat dit vermoeden onvoldoende was weerlegd door het Openbaar Ministerie.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer op 22 mei 2024, na onderzoek op 24 april 2024. De rechtbank verklaarde het ten laste gelegde niet bewezen en sprak verdachte vrij.