De zaak betreft beroepen van eisers tegen een besluit van de burgemeester van Amsterdam om een exploitatievergunning te verlenen aan McDonald’s voor een horecabedrijf aan een adres in Amsterdam. De vergunning was verleend tot 1 januari 2024. Eisers stelden dat zij ondanks het verlopen van de vergunning belang hadden bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroepen, uit vrees voor formele rechtskracht van het bestreden besluit.
De rechtbank oordeelde dat het procesbelang ontbreekt omdat de vergunning geen rechtsgevolgen meer heeft en de formele rechtskracht zich niet uitstrekt tot de motivering van het besluit. De vrees van eisers dat het besluit onaantastbaar zou worden, werd verworpen. McDonald’s had een aanvraag tot verlenging ingediend, maar de rechtbank stelde dat dit geen aanleiding was voor een inhoudelijke beoordeling van het geschil.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie waarin sprake was van herhaalde besluiten en onvoldoende rechtsbescherming, maar stelde dat die situatie hier niet aan de orde is. Verweerder kan een nieuw besluit nemen waarbij alle feiten en omstandigheden worden meegewogen. Eisers kunnen tegen een nieuw besluit bezwaar maken en een voorlopige voorziening vragen. Omdat geen procesbelang bestond, werden de beroepen niet-ontvankelijk verklaard en werd het betaalde griffierecht aan eisers vergoed.