ECLI:NL:RBAMS:2024:2068

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 april 2024
Publicatiedatum
11 april 2024
Zaaknummer
23/6240
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T.L. Fernig - Rocour
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) en de zorgvuldigheid van de zoekslag door een bestuursorgaan

In deze zaak heeft eiser een verzoek ingediend bij het college van bestuur van de Universiteit Amsterdam om openbaarmaking van documenten op basis van de Wet open overheid (Woo). De rechtbank Amsterdam heeft op 3 april 2024 uitspraak gedaan in deze zaak, waarin het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek werd beoordeeld. Eiser had om informatie gevraagd die verband houdt met fiscale adviesopdrachten en communicatie met verschillende overheidsinstanties en PWC, in het kader van het PWC-belastingschandaal. De rechtbank oordeelde dat de zoekslag die door verweerder was verricht onzorgvuldig was en dat er sprake was van een motiveringsgebrek. Verweerder had categorisch geweigerd om de documenten openbaar te maken, met een beroep op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken hoogleraar. De rechtbank benadrukte dat verweerder per document een belangenafweging moet maken en dat de persoonlijke levenssfeer van de hoogleraar minder zwaar weegt in het kader van zijn publieke functie. De rechtbank vernietigde het besluit van verweerder en droeg hen op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de rechtbank ook het griffierecht aan eiser moest vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/6240

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van bestuur van de Universiteit Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. M.J. Wijnen-Verhoek en mr. N. van den Brink).

Inleiding

Eiser heeft bij verweerder om openbaarmaking van bepaalde informatie op grond van de Wet openbaarheid overheid (Woo) verzocht. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek.
De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2024 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Wat aan deze procedure voorafging
1. Eiser heeft op 15 juni 2023 bij verweerder het volgende Woo-verzoek ingediend:

“Naar aanleiding van recente berichtgeving over dubbele petten bij belastinghoogleraren - waaronder bij uw universiteit - en het lopende PWC-belastingschandaal (waarbij het belastingadvieskantoor gestolen overheidsstukken heeft ingezet om cliënten te adviseren belasting te ontwijken), verzoek ik op grond van de Wet open overheid de verstrekking van de volgende documenten bij en onder uw organisatie:

- Correspondentie en communicatie (nota's, adviezen, e-mailberichten, etc.) tussen/aangaande [naam] ( [functies] ) en a) het ministerie van financien, b) de belastingdienst en c) PWC aangaande fiscale adviesopdrachten, formele/informele/wetenschappelijke overleggen over fiscaal beleid/uitvoering/wetgeving, en uitnodigingen voor lezingen en internationale congressen);
- Vastleggingen van interne en externe vergaderingen (digitaal en/of fysiek) aangaande onder de eerste bullet genoemde zaken waar [naam] aan heeft deelgenomen;
- Documenten (nota's, e-mailberichten, etc.) over en naar aanleiding van berichtgeving in de media over het lopende bovengenoemde PWC-belastingschandaal.
Dit verzoek ziet op de periode 2012 (start datum internationale OESO (BEPS-)project om belastingontwijking aan te pakken) t/m datum indiening verzoek (15 juni 2023). Ik verzoek u een zoekslag te verrichten in - onder meer - de UvA-emailboxen van a) [naam] , b) de persoonlijk assistent(en) van [naam] (waaronder zijn (voormalige) PWC secretaresse die een nul-uren aanstelling op de UvA zou hebben gehad), en c) de andere dubbele pet hoogleraren van de sectie Belastingrecht van de UvA.”
2. Op 29 juni 2023 heeft eiser, op verzoek van verweerder, zijn verzoek nader gespecificeerd. Met het besluit van 24 juli 2023 heeft verweerder eisers verzoek afgewezen. Volgens verweerder zijn er meerdere e-mailberichten aangetroffen die (deels) aan eisers verzoek voldoen, maar weegt het belang van de eerbiediging van de persoonlijke
levenssfeer van de betrokkenen zwaarder dan het belang van de openbaarheid. Voor wat betreft de documenten over en naar aanleiding van berichtgeving in de media over het lopende bovengenoemde PWC-belastingschandaal, zijn er volgens verweerder geen documenten aanwezig die aan dit onderdeel van eisers verzoek voldoen.
3. Met het bestreden besluit van 12 oktober 2023 heeft verweerder eisers bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. Door openbaarmaking van informatie die aan het verzoek voldoet, zal de persoonlijke levenssfeer van de betrokken hoogleraar volgens het bestreden besluit ernstig worden aangetast. Zijn persoonlijke levenssfeer kan niet voldoende worden beschermd door het anonimiseren van de informatie, omdat eiser expliciet heeft verzocht om informatie met betrekking tot één persoon en eiser de identiteit van de betrokkene kent. Bij de belangenafweging weegt volgens verweerder de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene zwaarder dan het belang van de openbaarheid. Dat voor een hoogleraar vanuit zijn functie een ruimere mate van openbaarheid gerechtvaardigd is doet hieraan niet af. Ook een hoogleraar moet immers vrijelijk en vertrouwelijk afspraken kunnen maken.
Het standpunt van eiser
4. Eiser heeft in beroep vraagtekens geplaatst bij de zoekslag. Volgens eiser is niet inzichtelijk waarom onderscheid is gemaakt bij het bevragen van de betrokken personen en
zijn niet alle genoemde personen bevraagd. Ook vraagt eiser zich af of wel alle documenten zijn verzameld, omdat de betrokkenen zelf een zoekslag mochten verrichten naar de documenten en zij belang hebben bij het al dan niet selecteren van de betreffende documenten. Eiser heeft dit al in bezwaar naar voren gebracht, maar verweerder is er in zijn besluit niet op ingegaan. Daarom is volgens eiser sprake van een motiveringsgebrek. Verder is de belangenafweging ondermaats. Verweerder heeft niet onderbouwd welke schade de betrokkene zou ondervinden van openbaarmaking van de documenten. Daarbij maakt juist de publieke functie van betrokkene dat hem een hoge mate van verantwoording toekomt. Dit risico heeft de betrokkene bij acceptatie van de desbetreffende functie aanvaard. Tot slot voert eiser aan dat de Woo transparantie voorstaat en dat de categorale weigering van verweerder niet strookt met goed bestuur.
Beoordeling door de rechtbank
De reikwijdte van de Woo
5. Op de zitting is de vraag besproken in hoeverre het verzoek van eiser onder de reikwijdte van de Woo valt. Niet ter discussie staat dat verweerder een bestuursorgaan is. Het verzoek is dan ook gericht aan een bestuursorgaan en valt als zodanig onder de werking van de Woo. [1] Daarbij wordt elk schriftelijk stuk dat naar zijn aard verband houdt met de publieke taak van het bestuursorgaan aangemerkt als document. [2] Dit dient ruimt te worden opgevat. Eiser heeft kort gezegd gevraagd om gegevens over informatiestromen die vanuit het ministerie van financiën, via [naam] naar PWC hebben gelopen. Gelet op de ruime opvatting van het begrip publieke taak, ziet de rechtbank niet in waarom dit verzoek buiten de reikwijdte van de Woo zou vallen. Dat het verzoek ziet op één individu maakt dit niet anders; voor de bescherming van de belangen van het individu, biedt de Woo zelf uitzonderingsgronden.
De zoekslag
6. Eiser heeft zijn Woo-verzoek aan verweerder nader gespecificeerd en daarbij de namen van vijf personen gegeven. Op de zitting hebben de gemachtigden van verweerder toegelicht dat zij deze vijf personen hebben gevraagd om documenten (nota's,
e-mailberichten, etc.) over en naar aanleiding van berichtgeving in de media over het lopende bovengenoemde PWC-belastingschandaal, maar dat zij hierover niets hebben aangetroffen. De rechtbank acht dit niet ongeloofwaardig, omdat niet is onderbouwd of anderszins gebleken dat het onderwerp waarover informatie is verzocht, deel uitmaakt of in het verlengde ligt van hun werkzaamheden.
7. Voor wat betreft de personen [naam] , zijn secretaresse en zijn voormalige secretaresse(s) heeft eiser verweerder verzocht om alle in zijn oorspronkelijke verzoek genoemde documenten te verstrekken. De gemachtigden van verweerder hebben op de zitting toegelicht dat een Woo-verzoek bij de afdeling juridische zaken binnenkomt. Deze afdeling heeft dit verzoek vervolgens vertaald naar de vraag om informatie over en naar aanleiding van het PWC-schandaal. Deze vraag is uitgezet bij [naam] zelf, die vervolgens stukken heeft overgelegd. Deze vraag is ook uitgezet bij het bestuurssecretariaat, waarbij is aangegeven dat ook de (voormalige) secretaresse(s) van [naam] bevraagd moest(en) worden. De (voormalig) secretaresse(s) heeft (hebben) geen stukken overgelegd of verklaring afgelegd, maar verweerder gaat er wel vanuit dat zij zijn uitgevraagd, omdat de afdeling juridische zaken hierom heeft verzocht. De afdeling juridische zaken heeft niet zelf gezocht in de mailboxen, omdat zij daar niet in kunnen.
8. De rechtbank overweegt dat het aan een bestuursorgaan is om voldoende inzichtelijk te maken dat een zorgvuldige zoekslag is verricht. Een bestuursorgaan moet er daarbij blijk van geven dat sprake is van een zorgvuldig proces om de documenten waarom is verzocht, boven tafel te krijgen. Van degene die verantwoordelijk is voor het besluit, in dit geval de afdeling juridische zaken, kan worden verwacht dat zij zich ervan vergewist dat de opdracht die zij heeft uitgezet ook goed is uitgevoerd. Dit geldt temeer nu dit proces zich geheel afspeelt binnen het bestuursorgaan en de andere partij en de rechtbank hier geen zicht op hebben. Dat rechtvaardigt hoge eisen aan de zorgvuldigheid van het proces. Verweerder dient inzichtelijker te maken tot welke zoekslag het Woo-verzoek heeft geleid. Daarbij moet specifiek worden vermeld welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de relevante personen hebben meekregen en (indien van toepassing) welke schifting de afdeling juridische zaken in de aangedragen documenten heeft gemaakt. Ook kan de inschakeling van een ICT-deskundige noodzakelijk zijn om een goede zoekslag te waarborgen. Door de zoekslag en selectie over te laten aan [naam] en het bestuurssecretariaat en hier niet kenbaar zelf regie op te voeren, is voor de rechtbank op basis van de processtukken niet inzichtelijk of sprake is geweest van een zorgvuldig onderzoek. De rechtbank is van oordeel al hierom kan worden vastgesteld dat de verrichte zoekslag onzorgvuldig is geweest. Eisers beroep is daarom op dit punt gegrond.
Openbaarmaking; belangenafweging
9. Op de zitting heeft verweerder naar voren gebracht dat de vraag naar de wijze van zoeken in deze zaak minder van belang is, omdat openbaarmaking van de gevonden stukken per definitie wordt geweigerd met een beroep op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Omdat alle stukken herleidbaar zijn naar [naam] weegt zijn belang op tegen het belang van openbaarmaking. Volgens verweerder is [naam] geen dusdanig publiek persoon dat hem geen bescherming toekomt. Hij moet in vrijheid kunnen communiceren en wetenschap bedrijven. Als zijn agenda en correspondentie met derden openbaar worden gemaakt, wordt hij beperkt in zijn vrijheid en zou hij terughoudend kunnen worden in onder meer het maken van afspraken en het geven van zijn mening.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte categoraal heeft geweigerd de gevonden documenten openbaar te maken met een beroep op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van [naam] . Uit artikel 5.1 tweede lid, aanhef en e, van de Woo volgt immers dat verweerder een belangenafweging moet maken; verweerder moet per document, dan wel per zelfstandig onderdeel van een document, het belang van het openbaar maken van informatie afwegen tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
11. Bij die belangenafweging dient verweerder mee te wegen dat [naam] in zijn hoedanigheid als hoogleraar, minder snel deze bescherming geniet en er ook een verzwaarde motiveringsplicht geldt. Als het gaat om hoogleraren en/of gerenommeerde onderzoekers/wetenschappers die bekend staan als gezaghebbend in hun vakgebied, kan er naar het oordeel van de rechtbank vanuit gegaan worden dat zij uit hoofde van hun functie naar buiten treden. De aard van de functie brengt immers met zich dat zij wetenschappelijke onderzoeken doen en daarover publiceren. Een deel van de functie bevat van zichzelf dus al een aspect van openbaarheid. [3] Ook [naam] kan worden aangemerkt als een publiek figuur, die naar buiten treedt als fiscalist en als zodanig contacten onderhoudt met onder meer het ministerie van Financiën. Daar komt in het geval van [naam] bij dat hij een gezagsfunctie uitoefent bij PWC. Het belang van openbaarmaking van de gevraagde documenten komt naar het oordeel van de rechtbank meer gewicht toe, omdat er sprake is van deze dubbelfunctie. Dit is een aspect waar [naam] zich naar het oordeel van de rechtbank van bewust heeft moeten kunnen zijn.
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in weerwil van het vorenstaande, het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [naam] zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid. Het beroep van eiser is ook in verband met dit motiveringsgebrek gegrond.
Inzage in de 8:29-stukken
13. De rechtbank heeft de geheime stukken in raadkamer ingezien en geconstateerd dat die zien op werkzaamheden en afspraken van [naam] met derden vanuit zijn hoedanigheid als hoogleraar. De rechtbank ziet zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet het belang dat is gediend bij geheimhouding van de inventarislijst die bij deze stukken zit. Verder heeft de rechtbank geconstateerd dat er een e-mail zonder antwoord bij zit en dat er een gat van een aantal jaar is waarover er geen stukken zijn overgelegd. Dit is een aanwijzing - die vooralsnog niet is weerlegd - dat de zoekslag onvoldoende volledig is geweest. Verder dient verweerder met inachtneming van wat hiervoor is overwogen in het kader van de belangenafweging opnieuw, per document, paragraaf en alinea te beoordelen of, en zo ja welke weigeringsgrond van toepassing is.
Conclusie en gevolgen
14. Uit het voorgaande volgt dat de besluitvorming gebreken vertoont voor wat betreft de zorgvuldigheid en de motivering. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank geeft aan verweerder de opdracht om een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser te nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak staat. De rechtbank geeft verweerder daarvoor een termijn van zes weken.
15. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 12 oktober 2023;
  • draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. den Toom, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 2.2., eerste lid, aanhef en onder a van de Woo.
2.Zie artikel 2.1. van de Woo.
3.Zie ook de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland van 27 juni 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:3536.