Eiser, een jongen van zes jaar met een ontwikkelingsachterstand, vroeg een persoonsgebonden budget (pgb) aan voor ambulante jeugdhulp die zijn moeder zou verlenen. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af omdat de gevraagde zorg niet boven de gebruikelijke ouderlijke zorg uitstijgt.
De rechtbank onderzocht of het college het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep correct had toegepast. De rechtbank oordeelde dat het college terecht niet was toegekomen aan het bepalen van de aard en omvang van de hulp, omdat de gevraagde zorg niet als bovengebruikelijk werd aangemerkt. De zorg betrof toezicht, zindelijkheidstraining en ondersteuning bij zelfstandigheid, passend bij de leeftijd en ontwikkeling van eiser.
Eiser stelde dat het college onvoldoende had onderzocht wat de draagkracht van de ouders is en dat het advies van het pgb-team onvoldoende gemotiveerd was. De rechtbank vond dat het college voldoende had gemotiveerd dat de zorg binnen de normale ouderlijke zorg valt, ook al was de motivering niet altijd helder. De rechtbank verwierp het standpunt dat het college de mogelijkheden van zorg in natura onvoldoende had onderzocht, omdat eiser zelf geen behoefte daaraan had kenbaar gemaakt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de afwijzing van de pgb-aanvraag en wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.