De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van behulpzaamheid bij zelfbevrijding en deelname aan een criminele organisatie in de periode van november tot december 2022. Het onderzoek startte na een doorzoeking waarbij telefoons met communicatie over een bevrijdingsplan werden gevonden.
De officier van justitie vorderde bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten, stellende dat verdachte met behulp van telefoongesprekken en het regelen van middelen betrokken was bij een plan tot zelfbevrijding van een gedetineerde. De verdediging betoogde dat er geen bewijs was voor daadwerkelijke uitvoering en dat het samenwerkingsverband niet duurzaam was.
De rechtbank oordeelde dat voor het strafbaar zijn van behulpzaamheid bij zelfbevrijding vereist is dat de zelfbevrijding daadwerkelijk is aangevangen, wat in deze zaak niet is vastgesteld. Ook de gedragingen konden niet worden aangemerkt als een begin van uitvoering van het misdrijf, maar slechts als voorbereiding. Daarnaast was er onvoldoende bewijs voor een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat een criminele organisatie vormt.
Op grond hiervan sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. De uitspraak benadrukt het belang van het aantonen van een daadwerkelijke aanvang van het strafbare feit en een duurzaam samenwerkingsverband bij deelname aan een criminele organisatie.