De eiser kreeg naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto op 19 en 21 juli 2023 zonder betaalde parkeerbelasting geparkeerd stond. Eiser stelde dat hij vanaf 1 juli 2023 beschikte over een parkeervergunning en dat hij op 23 juli 2023 betaalde voor juli tot en met oktober 2023, waardoor hij meende dat hij geen a-belasting verschuldigd was.
De rechtbank oordeelde dat aan een parkeervergunning geen rechten kunnen worden ontleend voor de tijd voorafgaand aan de aanvraag en betaling van de vergunning. De vergunning gaat pas in nadat aan de voorwaarden, waaronder betaling, is voldaan. Hierdoor was de parkeervergunning van eiser pas geldig vanaf 24 juli 2023.
De rechtbank volgde eiser niet in zijn standpunt dat de vergunning met terugwerkende kracht geldig zou zijn. Het beroep werd ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar hoefde geen griffierecht of proceskosten te vergoeden.