Uitspraak
[opgeëiste persoon] ,
BESLISSING
[opgeëiste persoon]voornoemd is beëindigd.
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie van een opgeëiste persoon op grond van de Overleveringswet (OLW). De zaak betreft een vervolg op een eerdere beslissing en richt zich op de vraag of de beslistermijn als bedoeld in artikel 22 OLW Pro nog niet was verstreken vanwege mogelijke toepassing van artikel 66 OLW Pro.
De opgeëiste persoon was reeds op 17 november 2022 aangehouden voor hetzelfde Europese aanhoudingsbevel (EAB). De rechtbank onderzocht of de beslistermijn was verlengd omdat de opgeëiste persoon zich mogelijk aan de tenuitvoerlegging van het geschorste bevel tot inverzekeringstelling had onttrokken. Dit zou de termijn doen stilstaan volgens artikel 66 OLW Pro.
Tijdens de zitting bleek dat de verbalisanten niet in staat waren een proces-verbaal op te maken over de uitreiking van het schorsingsbevel. De opgeëiste persoon verklaarde dat hem niet duidelijk was gemaakt dat hij zich op 21 november 2022 op het politiebureau moest melden. De officier van justitie stelde dat de voorwaarde wel was uitgereikt en niet was nageleefd.
De rechtbank oordeelde dat op basis van de beschikbare informatie niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon zich heeft onttrokken aan het schorsingsbevel. Hierdoor is de beslistermijn ruimschoots verlopen en is de geschorste overleveringsdetentie beëindigd. Het verzoek tot schorsing behoefde daarom niet inhoudelijk te worden beoordeeld.
Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat de overleveringsdetentie is beëindigd wegens het verlopen van de beslistermijn zonder toepassing van artikel 66 OLW.