ECLI:NL:RBAMS:2023:4261

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 juni 2023
Publicatiedatum
7 juli 2023
Zaaknummer
13.300050-22
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 OLWArt. 66 OLW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging overleveringsdetentie wegens verstreken beslistermijn zonder toepassing artikel 66 OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie van een opgeëiste persoon op grond van de Overleveringswet (OLW). De zaak betreft een vervolg op een eerdere beslissing en richt zich op de vraag of de beslistermijn als bedoeld in artikel 22 OLW Pro nog niet was verstreken vanwege mogelijke toepassing van artikel 66 OLW Pro.

De opgeëiste persoon was reeds op 17 november 2022 aangehouden voor hetzelfde Europese aanhoudingsbevel (EAB). De rechtbank onderzocht of de beslistermijn was verlengd omdat de opgeëiste persoon zich mogelijk aan de tenuitvoerlegging van het geschorste bevel tot inverzekeringstelling had onttrokken. Dit zou de termijn doen stilstaan volgens artikel 66 OLW Pro.

Tijdens de zitting bleek dat de verbalisanten niet in staat waren een proces-verbaal op te maken over de uitreiking van het schorsingsbevel. De opgeëiste persoon verklaarde dat hem niet duidelijk was gemaakt dat hij zich op 21 november 2022 op het politiebureau moest melden. De officier van justitie stelde dat de voorwaarde wel was uitgereikt en niet was nageleefd.

De rechtbank oordeelde dat op basis van de beschikbare informatie niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon zich heeft onttrokken aan het schorsingsbevel. Hierdoor is de beslistermijn ruimschoots verlopen en is de geschorste overleveringsdetentie beëindigd. Het verzoek tot schorsing behoefde daarom niet inhoudelijk te worden beoordeeld.

Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat de overleveringsdetentie is beëindigd wegens het verlopen van de beslistermijn zonder toepassing van artikel 66 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.300050-22
BESLISSING
De raadkamer van deze rechtbank heeft kennis genomen van het op 14 juni 2023 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie uit hoofde van de Overleveringswet (OLW) van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1974,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
thans gedetineerd [detentieadres] .
De rechtbank heeft acht geslagen op het dossier, waaronder de stukken die op de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon betrekking hebben.
Op 23 juni 2023 heeft de behandeling in raadkamer plaatsgevonden, waar de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht zijn gehoord. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek in raadkamer gesloten en beslist dat schriftelijk zou worden beslist op het verzoek. De rechtbank heeft bij tussenbeslissing van 23 juni 2023 het onderzoek in raadkamer heropend en heeft het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie aangehouden tot de zitting van 28 juni 2023, op welke zitting de behandeling in raadkamer is voorgezet in aanwezigheid van de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht.
Bij voornoemde tussenbeslissing heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat de opgeëiste persoon reeds eerder, op 17 november 2022, is aangehouden voor hetzelfde Europese aanhoudingsbevel (EAB) en dat de vraag voorligt of er thans nog sprake is van een rechtmatige titel voor de overleveringsdetentie. De termijnen als bedoeld in artikel 22 OLW Pro zijn immers aangevangen op 17 november 2022 en daarna niet op één van de in dat artikel genoemde gronden verlengd, zodat in beginsel de beslistermijn inmiddels zou zijn verstreken en de geschorste overleveringsdetentie daarmee zou zijn beëindigd. De rechtbank heeft verder overwogen dat er mogelijk sprake is geweest van een situatie als bedoeld in artikel 66 OLW Pro, te weten dat de termijn als bedoeld in artikel 22 OLW Pro niet heeft gelopen gedurende tijd dat de opgeëiste persoon zich aan de tenuitvoerlegging van het geschorste bevel tot inverzekeringstelling heeft onttrokken. Daarbij is van belang of de opgeëiste persoon bewust was van de schorsingsvoorwaarde dat hij zich op 21 november 2022 bij het politiebureau moest melden voor de voorgeleiding bij de officier van justitie, bijvoorbeeld doordat hem dit met behulp van een tolk in de Poolse taal was uitgelegd. Bij de tussenbeslissing heeft de rechter de officier van justitie in de gelegenheid gesteld om de uitreikende verbalisant(en) daarover een proces-verbaal te laten opmaken.
Ter zitting van 28 juni 2023 is gebleken dat de betreffende verbalisanten vanwege een verlof niet in staat zijn geweest een proces-verbaal over de uitreiking van het schorsingsbevel op te maken. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hem bij het uitreiken van het schorsingsbevel van 18 november 2022 door de verbalisanten met behulp van een vertaalprogramma op een telefoon is verteld dat hij door de officier van justitie in Amsterdam zou worden vrijgelaten, maar dat hij binnen 90 dagen voor een zitting bij de rechtbank zou worden opgeroepen. Volgens de opgeëiste persoon is hem daarbij niet verteld dat hij zich weer op 21 november 2022 op het politiebureau moest melden.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat moet worden uitgegaan van het aan de opgeëiste persoon uitgereikte schorsingsbevel met de daarin vermelde voorwaarde, waaraan hij zich niet heeft gehouden. Daarmee is de situatie als bedoeld in artikel 66 OLW Pro aan de orde.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overleveringsdetentie inmiddels is beëindigd en dat de opgeëiste persoon in vrijheid moet worden gesteld. Subsidiair heeft hij het schorsingsverzoek gehandhaafd.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de op dit moment beschikbare informatie niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van het geschorste bevel tot inverzekeringstelling. De rechtbank ziet geen aanleiding om het onderzoek in raadkamer nog langer aan te houden om daar meer duidelijkheid over te krijgen. Dat betekent dat de rechtbank vaststelt dat de beslistermijn als bedoeld in artikel 22 OLW Pro inmiddels ruimschoots is verlopen en dat de geschorste overleveringsdetentie is beëindigd [1] . Aan beoordeling van het schorsingsverzoek komt de rechtbank daarom niet toe.

BESLISSING

Stelt vastdat de overleveringsdetentie van
[opgeëiste persoon]voornoemd is beëindigd.
Deze beslissing is genomen op 28 juni 2023 door:
mr. O.P.M. Fruytier, rechter,
in tegenwoordigheid van I.M.A. de Vries, griffier.

Voetnoten

1.Vgl. Rechtbank Amsterdam 3 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2463