ECLI:NL:RBAMS:2023:3622

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2023
Publicatiedatum
8 juni 2023
Zaaknummer
AMS 23/2495 en 23/2310
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 AwbParticipatiewetAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsaanvraag wegens schending inlichtingenplicht bevestigd

Verzoeker, die sinds 2013 een bijstandsuitkering ontving, had deze uitkering beëindigd gekregen vanwege een langdurig verblijf in het buitenland. Na terugkeer in Nederland vroeg hij opnieuw bijstand aan. Verweerder stelde meerdere vragen en vroeg om documenten om de aanvraag te beoordelen. Verzoeker voldeed niet volledig aan deze verzoeken en beëindigde gesprekken voortijdig.

De gemeente wees de aanvraag af wegens het niet voldoen aan de inlichtingenplicht, omdat verzoeker onvoldoende duidelijkheid gaf over zijn financiële situatie, met name over geld en onroerend goed in Jemen. Verzoeker maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de afwijzing, met een verzoek om voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat in een aanvraagsituatie de gemeente veel vragen mag stellen, ook over de privésfeer, zolang deze relevant zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand. Omdat verzoeker niet aan deze verplichting voldeed, was de afwijzing terecht. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/2495 en 23/2310

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juni 2023 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. R.A. van Heijningen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. H.H.J. ten Hoope).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet.
1.2.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist hij ook op het beroep van verzoeker daartegen. Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 31 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het besluit

2.1.
Verzoeker is sinds 17 juli 2013 getrouwd en heeft drie kinderen. Verzoeker heeft vanaf 25 januari 2013 tot en met 6 april 2022 een bijstandsuitkering voor een alleenstaande gehad. De bijstandsuitkering is beëindigd omdat verzoeker te lang in het buitenland verbleef. Hij verbleef vanaf 13 februari 2022 in Jemen . Verzoeker is op 15 juni 2022 teruggekeerd naar Nederland.
2.2.
Op 29 juni 2022 heeft verzoeker opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd. Op 4 juli 2022 heeft verweerder verzoeker uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van de gemeente en aan verzoeker gevraagd om een aantal documenten mee te nemen naar het gesprek. Op 7 juli 2022 heeft verzoeker een gesprek gehad met een handhavingsspecialist van de gemeente. Verzoeker heeft niet alle gevraagde documenten meegenomen naar het gesprek en het gesprek beëindigd. Met de brief van 7 juli 2022 heeft verweerder de behandeling van de aanvraag uitgesteld en verzoeker nogmaals uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van de gemeente. Daarbij is verzoeker opnieuw gevraagd om een aantal documenten mee te nemen naar het gesprek. Op 13 juli 2022 heeft verzoeker een gesprek gehad met dezelfde en een andere handhavingsspecialist. Tijdens het gesprek heeft verzoeker niet alle gevraagde documenten overgelegd. Verzoeker heeft het gesprek beëindigd.
2.3.
Met het primaire besluit van 27 juli 2022 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Met een uitspraak van 6 september 2022 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank dit verzoek afgewezen. [1]
2.4.
Met het bestreden besluit van 14 maart 2023 op het bezwaar van verzoeker is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt op grond van artikel 8:86 van Pro de Awb of verweerder de aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering terecht heeft afgewezen. Het gaat dan om de periode vanaf de aanvraag van 29 juni 2022 tot en met het primaire besluit van 27 juli 2022.
3.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat sprake is van een aanvraagsituatie. Het ligt dan op de weg van de aanvrager om over zijn omstandigheden de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven over onder meer zijn financiële situatie om zo aannemelijk te maken dat hij - in dit geval - in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeert (de inlichtingenplicht). Indien de aanvrager niet de nodige duidelijkheid verschaft, is dat een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. [2]
3.3.
Het voorgaande betekent dat verweerder veel vragen mag stellen aan een aanvrager, hoe vervelend dat ook kan zijn, totdat het voor verweerder duidelijk is of iemand wel of geen aanspraak maakt op een bijstandsuitkering. Dat kunnen ook vragen zijn die raken aan de privésfeer van de aanvrager. Dergelijke vragen mogen toch worden gesteld, indien zij inhoudelijk relevant zijn voor het recht op bijstand. De punten die verweerder heeft benoemd waarover hij duidelijkheid wenst (het geld en onroerend goed in Jemen ) kunnen voor het vaststellen van het recht op bijstand relevant zijn. Die vragen zijn ook heel concreet van aard. De algemene situatie in Jemen maakt niet dat verweerder geen vragen mag stellen die verband houden met die situatie.
3.4.
Nu verzoeker niet alle informatie heeft aangeleverd waar verweerder om heeft gevraagd; in de gesprekken niet op alle vragen antwoord heeft willen geven en zelf het gesprek heeft beëindigd, heeft hij daarmee de inlichtingenplicht geschonden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de aanvraag dan ook terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

4.1.
Het beroep is ongegrond. Er is daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
4.2.
Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.G.A. Karregat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zaaknummer AMS 22/3710.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8089.