ECLI:NL:RBAMS:2023:3451

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 maart 2023
Publicatiedatum
1 juni 2023
Zaaknummer
13/289044-22 (EAB II)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 4 Handvest van de grondrechten van de EUArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLW
Verwijzingen
15 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks aanvankelijke detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon op grond van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren (België).

Tijdens de procedure werd vastgesteld dat er aanvankelijk sprake was van een individueel reëel gevaar op onmenselijke of vernederende behandeling in Belgische detentie vanwege slechte detentieomstandigheden. De rechtbank schorste de beslissing en stelde een redelijke termijn om te onderzoeken of de omstandigheden verbeterd waren.

België verstrekte vervolgens uitgebreide garanties over de detentieomstandigheden, waaronder voldoende leefruimte, sanitaire voorzieningen, medische zorg en dagactiviteiten, conform internationale standaarden zoals de CPT-standaarden. De raadsman betwistte de toereikendheid van deze garanties, met name ten aanzien van medische zorg.

De rechtbank oordeelde echter dat de verstrekte garanties voldoende waren om het reële gevaar weg te nemen en dat geen weigeringsgronden voor overlevering aanwezig waren. De overlevering werd daarom toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan België toe na ontvangst van voldoende detentiegaranties.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/289044-22 (EAB II)
RK nummer: 22/4700
Datum uitspraak: 7 maart 2023
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 8 november 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 7 november 2022 door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op 27 april 1962,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP adres opgeëiste persoon] ,
verblijfadres: [verblijfadres opgeëiste persoon] ,
thans uit andere hoofde gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

Zitting 16 november 2022
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 november 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T.J.N. Hameleers, waarnemend voor
mr. J.H.L. Antonides, beiden advocaat te Roermond.
De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst. Er waren twee EAB’s uitgevaardigd ten aanzien van de opgeëiste persoon en de raadsman had zich niet dan wel onvoldoende voorbereid voor de behandeling van het onderhavige EAB.
Zitting 13 december 2022
De rechtbank heeft het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing op 16 november 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is wederom bijgestaan door zijn raadsma, mr. T.J.N. Hameleers, waarnemend voor mr. J.H.L. Antonides, beiden advocaat te Roermond.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Tussenuitspraak 27 december 2022
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten beoordeeld. Daarnaast heeft zij geoordeeld dat de verstrekte terugkeergarantie voldoende is en dat de weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro niet van toepassing is. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend en geschorst in verband met de detentieomstandigheden in België. De rechtbank heeft geconcludeerd dat er sprake is van een individueel reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) voor de opgeëiste persoon in detentie in België, omdat de detentieomstandigheden niet voldoen. Omdat bij wijziging van deze omstandigheden dit gevaar alsnog zou kunnen worden uitgesloten, heeft de rechtbank de beslissing over de overlevering aangehouden om op de volgende zitting te onderzoeken of die eventuele wijziging in de detentieomstandigheden zou zijn opgetreden. De rechtbank heeft daartoe een redelijke termijn gesteld van maximaal 60 dagen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen om die reden ook met 60 dagen verlengd.
Zitting 21 februari 2023
De rechtbank heeft het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing op 27 december 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T.J.N. Hameleers, advocaat te Roermond.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Artikel 11 OLW Pro

Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat er thans een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden. [1]
Bij brief van 12 januari 2023 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit is de volgende garantie gegeven:
(…)
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Hasselt indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
(…)
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
-
De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3m2 individuele levensruimte, zoals vereist door de CPT standaarden. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
-
De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel inclusief vast meubilair en sanitair is 11m2.
o
De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm;
o
Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau;
-
De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. Er worden verschillend dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
(…)
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan de welke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat de gegeven detentiegarantie niet voldoet, omdat de detentieomstandigheden zoals geschetst in de detentiegarantie volstrekt anders zijn dan de feitelijke situatie in Belgische detentie-instellingen. De raadsman heeft in dit kader verwezen naar een zaak waarin een (soort)gelijke detentiegarantie was verstrekt, maar de betreffende opgeëiste persoon alsnog werd gedetineerd onder vreselijke omstandigheden. Daarnaast is met de gegeven garantie onvoldoende gewaarborgd dat de opgeëiste persoon na overlevering in de gevangenis in België de medische behandeling krijgt die hij nodig heeft, aldus de raadsman.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten behoeve van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie volstaat en heeft de rechtbank verzocht de overlevering toe te staan.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande individuele detentiegarantie. [2]
De rechtbank is, gelet op deze garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het (eerder) vastgestelde individuele reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in de zin van artikel 4 Handvest Pro van de grondrechten van de EU hiermee voor de opgeëiste persoon is weggenomen. De medische gesteldheid van de opgeëiste persoon maakt dit niet anders. Dit kan mogelijk een rol spelen bij de afweging of feitelijke overlevering (tijdelijk) achterwege moet blijven (overeenkomstig artikel 35, derde lid, van de OLW). Die beslissing staat echter los van de door de rechtbank te nemen beslissing omtrent de toelaatbaarheid van de overlevering.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 45 en 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren (België) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter,
mrs. E.G.M.M. van Gessel en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Reinders, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 7 maart 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

2.HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.