Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
2.De feiten
€ 447.867,11.
Vordering
3.Het geschil
primair:
Rechtbank Amsterdam
Partijen, die 13 jaar een relatie hadden en samenwoonden, zijn gezamenlijk eigenaar van een woning met een hypotheek waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn. Na beëindiging van hun relatie en samenwoning in juni 2022 woont de man sinds oktober 2022 alleen in de woning en betaalt hij de volledige hypotheeklasten. De woning staat sinds september 2022 te koop, maar partijen zijn het niet eens over de verkoop en de verdeling van de overwaarde.
De man vordert in kort geding een machtiging op grond van artikel 3:174 BW Pro om de woning te gelde te maken, waarbij de makelaar de verkoopprijs bindend vaststelt, en regelt de verdeling van de opbrengst en kosten. De vrouw verzet zich, onder meer vanwege een vordering van € 80.000,00 op de man.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er gewichtige redenen en voldoende spoedeisend belang zijn voor de machtiging, mede vanwege de financiële situatie van de man en zijn emigratieplannen. De vrouw kan niet verlangen dat de verkoop wordt uitgesteld tot een algehele regeling. De machtiging wordt verleend met bepalingen over de verkoopprijs, de verdeling van de hypotheekschuld, de uitkering van een vordering van € 36.000,00 aan de man en het depot van de netto-opbrengst bij de notaris. De proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: De man wordt gemachtigd de woning te verkopen met bindende vaststelling van de verkoopprijs door de makelaar en de opbrengst wordt verdeeld volgens de uitspraak.