ECLI:NL:RBAMS:2023:2161
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen stopzetting en terugvordering toeslag op grond van de Toeslagenwet
Eiseres ontvangt een WIA-uitkering en heeft sinds 2017 een toeslag op grond van de Toeslagenwet. In 2019 is de toeslag verhoogd vanwege het wegvallen van het inkomen van haar partner. Verweerder heeft de toeslag per 1 juli 2019 stopgezet omdat de partner weer is gaan werken, waardoor het gezamenlijke inkomen boven het sociaal minimum kwam. De teveel betaalde toeslag van €9.813,17 is teruggevorderd.
Eiseres betoogt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door niet binnen zes maanden na een signaal actie te ondernemen, verwijzend naar de zesmaanden-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. De rechtbank oordeelt dat het ontvangen van een Ziektewetuitkering door de ex-partner geen concreet signaal vormde en dat toeslagen individuele uitkeringen zijn, waardoor verweerder niet verplicht was tussentijds de gegevens te controleren.
Verder stelt de rechtbank dat eiseres redelijkerwijs had moeten weten dat zij wijzigingen in het inkomen van haar partner moest doorgeven. De omstandigheid dat een medewerker van een organisatie dit voor haar deed, verandert hier niets aan. De rechtbank ziet geen dringende redenen om af te zien van terugvordering, mede omdat het bedrag nog niet is geïncasseerd en een betalingsregeling mogelijk is.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, bevestigt de stopzetting en terugvordering van de toeslag en wijst het verzoek tot terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de stopzetting en terugvordering van de toeslag.