De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van valsheid in geschrift en schuldwitwassen in de periode 2016. Verdachte werd vrijgesproken van valsheid in geschrift omdat onvoldoende bewijs bestond dat zij bewust en nauw had samengewerkt bij het gebruik van valse documenten, terwijl medeverdachte de potentiële huurster was die de valse documenten overhandigde.
Voor het feit van witwassen oordeelde de rechtbank dat verdachte samen met medeverdachte zich schuldig had gemaakt aan witwassen door via haar bankrekening de huur van de woning te betalen, terwijl zij wist dat het geld afkomstig was uit een misdrijf. Verdachte ontving bovendien commissie over de betalingen. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn van behandeling van de zaak fors was overschreden, maar verwierp het verweer van niet-ontvankelijkheid en hield rekening met de termijnoverschrijding bij de strafoplegging.
De rechtbank legde een geheel voorwaardelijke taakstraf van 60 uur op met een proeftijd van één jaar, gezien de ernst van het feit, de omstandigheden en de persoon van verdachte. De vordering van de officier van justitie tot een taakstraf van 120 uur werd daarmee verminderd. Verdachte werd vrijgesproken van het ten laste gelegde gebruik van valse geschriften.