Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.[eiser 1] ,
[eiser 2],
1.De procedure
- de dagvaarding van 9 juni 2021, met bewijsstukken,
- de conclusie van antwoord met bewijsstukken,
- het tussenvonnis van 19 januari 2022,
- het proces-verbaal van de op 30 juni 2022 gehouden mondelinge behandeling met de daarin genoemde stukken,
- de akte overlegging producties van [eisers] ,
- de antwoordakte van Spronken Advocaten.
2.De feiten
Volgens artikel 28 lid 1 van Pro dat reglement kan het scheidsgerecht uit eigen beweging partijen bevelen om bewijs te leveren door het horen van getuigen en deskundigen.
bezwaren ingebracht tegen de inhoud van het tussenvonnis, inhoudende – voor zover thans relevant – dat de arbiter zijn stelling dat [naam 1] zonder motivatie en bewijs een onjuiste waardering heeft ingebracht, heeft genegeerd (2.14), althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd (2.15), respectievelijk [eisers] niet (voldoende) gelegenheid heeft geboden om op de stellingen van [naam 1] in te gaan (2.16);
3.Het geschil
4.De beoordeling
De norm van artikel 7:401 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)
Als advocaat behoort Spronken er mee bekend te zijn dat het niet steeds voldoende is de stellingen van de wederpartij te betwisten, maar dat die betwisting ook gemotiveerd moet zijn en dat een ongemotiveerde of te weinig onderbouwde betwisting kan worden gepasseerd.
Maar ook als de beroepsfout wel werd gemaakt zou niet bij alle arbiters de uitkomst gelijk zijn. Een arbiter die in de gegeven omstandigheden wel een deskundige zou hebben benoemd, zou geen verkeerde beslissing hebben genomen. Dat betekent dat uitgaande van de beroepsfout de kans op schade afhangt van de vraag hoeveel procent van de arbiters de betwisting van de door [naam 1] gestelde waarde als al dan niet voldoende gemotiveerd zou beoordelen.
893= € 491.333,24.
Dat de door [eisers] in het geding gebrachte taxaties verschillen betekent niet dat deze onbruikbaar zijn. De deskundigheid van de taxateurs is niet betwist. Bovendien verschillen de taxaties minder dan 5% van elkaar. De rechtbank zal er daarom bij de begroting van de schade vanuit gaan dat de werkelijke waarde gelijk moet worden gesteld aan het gemiddelde van de beide taxaties. Dat betekent dat de berekening zoals door [eisers] gemaakt (zie onder 4.25) kan worden gevolgd; [eisers] hebben € 491.333,24 teveel betaald. Van deze schade is zoals onder 4.24 overwogen 40% toewijsbaar, te weten een bedrag van € 196.533,30.
Wat de schadevergoeding inzake de proceskosten in het arbitraal geding betreft: de ingangsdatum van de wettelijke rente zal worden bepaald op de datum van het arbitraal vonnis.
6.227,50(2,5 punten x tarief € 2.491,00)
5.De beslissing
- met de wettelijke rente over een bedrag van € 196.533,30 vanaf het moment van de betaling door [eisers] aan [naam 1] tot aan de betaling van de hiervoor genoemde schadevergoeding,