Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.De procedure
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 februari 2023.
Rechtbank Amsterdam
Op 8 juni 2018 sloten partijen een overeenkomst van geldlening waarbij €105.000 werd geleend met een vaste rentevergoeding van €750 per maand. Op 11 juni 2018 maakte eiser echter €125.300 over, waarvan het verschil volgens gedaagde een aflossing van een schuld van de moeder van eiser was.
Eiser vordert betaling van het restant van de lening en contractuele rente, terwijl gedaagde stelt dat de lening en rente volledig zijn voldaan, mede door verrekening met vorderingen op de vennootschap. De rechtbank oordeelt dat de lening niet is verhoogd tot €125.300, maar €105.000 bedraagt.
De overeenkomst bevat geen regeling over gevolgen van tussentijdse aflossing voor de vaste rentevergoeding. De rechtbank vult deze leemte aan op grond van redelijkheid en billijkheid: de rentevergoeding neemt evenredig af met aflossingen.
Omdat partijen tegenstrijdige stellingen innemen over aflossingen en verrekeningen, wordt gedaagde toegelaten tot bewijslevering. De zaak wordt aangehouden en verwezen naar een rolzitting voor verdere bewijsbespreking en getuigenverhoor.
Uitkomst: De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering over aflossingen en verrekeningen, waarna verdere beslissing volgt.