De rechtbank Amsterdam behandelde op 19 januari 2023 een vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon op grond van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door het hof van beroep Antwerpen. De opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar, waarvan nog 2450 dagen resten. De rechtbank constateerde dat de beslistermijn van 90 dagen voor het overleveringsverzoek was verstreken, waardoor geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.
De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en bevestigde zijn Duitse nationaliteit en verblijfsgegevens. Vervolgens beoordeelde zij de strafbaarheid van de feiten onder Nederlands recht, waaronder opzettelijke overtreding van de Opiumwet en valsheid in geschrifte. De rechtbank toetste tevens de weigeringsgrond op grond van artikel 6a OLW, die ziet op het behoud van het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon, die duurzaam in Nederland verblijft sinds 1996.
De verdediging stelde dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en dat overlevering geweigerd moet worden omdat de straf kan worden overgenomen. De officier van justitie betwistte dit. De rechtbank stelde vast dat de eerste voorwaarde voor gelijkstelling (verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd) is vervuld, maar dat de tweede voorwaarde (verwachting dat het verblijfsrecht niet verloren gaat) onzeker is vanwege een advies van de IND.
Daarom besloot de rechtbank het onderzoek te heropenen en te schorsen om aanvullende informatie van de IND te verkrijgen over het behoud van het verblijfsrecht. De zaak wordt medio februari 2023 opnieuw op zitting gebracht. Tegen deze tussenuitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.