ECLI:NL:RBAMS:2023:1093

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 februari 2023
Publicatiedatum
28 februari 2023
Zaaknummer
13/279727-22
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 SrArt. 2 UitleveringswetArt. 1 UitleveringsverdragArt. 2 UitleveringsverdragArt. 3 EVRM
Verwijzingen
16 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelaatbaarheid uitlevering Afghaanse verdachte aan Verenigde Staten wegens moord

De rechtbank Amsterdam behandelde het uitleveringsverzoek van de Verenigde Staten voor een Afghaanse verdachte die verdacht wordt van moord. De verdachte erkende zijn identiteit en dubbele nationaliteit. Het verzoek voldeed aan de formele eisen van het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS.

De verdediging voerde aan dat uitlevering ontoelaatbaar is vanwege eerdere foltering in een Afghaanse gevangenis en mogelijke betrokkenheid van de VS, wat een schending van artikel 3 EVRM Pro zou zijn. Ook werd een dreiging van schending van het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM Pro) aangevoerd vanwege vermeende beïnvloeding van een toekomstige jury. De rechtbank verwierp deze bezwaren wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van concrete aanwijzingen.

De rechtbank stelde vast dat het strafbare feit, moord, zowel in de VS als in Nederland strafbaar is met een gevangenisstraf van meer dan een jaar, waarmee aan de dubbele strafbaarheidsvereiste is voldaan. Gezien deze overwegingen verklaarde de rechtbank de uitlevering toelaatbaar. De verdachte kan binnen veertien dagen beroep in cassatie instellen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de uitlevering van de verdachte aan de Verenigde Staten toelaatbaar.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/279727-22
RK nummer: 22/5225
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Uitleveringswet van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 29 december 2022, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Veiligheid en Justitie ontvangen verzoek van de Verenigde Staten van Amerika van 13 december 2022 tot uitlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1984 in Afghanistan,
Alias:
[alias opgeëiste persoon] ,
geboren op [alias geboortedag] 1983 in [alias geboorteplaats] (Afghanistan)
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] ,
gedetineerd in [naam PI] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang.

De rechtbank heeft op 9 februari 2023 de opgeëiste persoon, zijn raadsman, mr. R. den Riet, advocaat in Amsterdam en de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern, ter openbare zitting gehoord.

2.Beoordeling.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij zowel de Afghaanse als de Amerikaanse nationaliteit heeft. De opgeëiste persoon heeft toegelicht dat hij in januari 2021 een nieuw paspoort van de Afghaanse autoriteiten heeft gekregen met de naam [alias opgeëiste persoon] , geboortedatum [alias geboortedag] 1983. Dactyloscopisch onderzoek heeft bevestigd dat het gaat om één en dezelfde persoon.

3.Het verzoek tot uitlevering

Het verzoek tot uitlevering is gedaan bij
diplomatic notenr. 080/22 van 13 december 2022 van de ambassade van de Verenigde Staten van Amerika te Den Haag.
De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht voor strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het feit waarvoor zijn aanhouding is gelast en zoals omschreven in het
Affidavit in support of request for extraditionvan de
Superior Court of Spokane County State of Washingtonvan 18 november 2022, dat is gevoegd bij het uitleveringsverzoek.
Op het verzoek is van toepassing het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: het Verdrag).
De rechtbank stelt vast dat voldaan is aan de vereisten in artikel 9, lid 3 onder a en lid 6, van het Verdrag, nu bij de stukken een gewaarmerkt afschrift van het aanhoudingsbevel van 7 juni 2019 is overgelegd.
4. Artikel 3 Verdrag Pro tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
De raadsman heeft verzocht de uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar te verklaren vanwege een reeds voltooide schending van artikel 3 EVRM Pro. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon door toedoen van zijn Afghaanse (ex)schoonfamilie in de Afghaanse gevangenis ‘Pul-e-Charkhi Prison’ is beland en daar is gefolterd. De Verenigde Staten zouden hierbij betrokken zijn geweest, althans op de hoogte zijn geweest van de slechte detentieomstandigheden in die gevangenis. Subsidiair heeft de raadsman verzocht getuigen en een deskundige op het gebied van detentieomstandigheden te horen die de voorgaande stelling kunnen bevestigen.
De officier van justitie heeft gesteld dat de uitlevering toelaatbaar is en dat een voltooide schending van artikel 3 EVRM Pro niet is komen vast te staan, laat staan de betrokkenheid van de Verenigde Staten daarbij.
De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de raadsman onvoldoende is onderbouwd. Er is immers niet concreet gemaakt dat de opgeëiste persoon is gefolterd in Afghanistan, dat dit heeft plaatsgevonden in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht en, in het bijzonder, dat dit is gebeurd door of mede door toedoen van functionarissen van de Verenigde Staten. Het verweer van de raadsman wordt verworpen, evenals het verzoek getuigen of deskundigen te horen, omdat gelet op het voorgaande daartoe geen noodzaak bestaat.

5.Artikel 6 EVRM Pro

De raadsman heeft verzocht de uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar te verklaren vanwege een dreigende schending van het recht op een eerlijk proces zoals is neergelegd in artikel 6 EVRM Pro. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de Amerikaanse opsporingsautoriteiten door het verstrekken van onvolledige en onjuiste informatie in een persconferentie van 7 november 2022 de (toekomstige) jury welbewust en onrechtmatig beïnvloeden. De raadsman heeft subsidiair verzocht een bij het opsporingsonderzoek betrokken Amerikaanse opsporingsambtenaar op te roepen als getuige om vast te kunnen stellen dat de opgeëiste persoon heeft geprobeerd zich vrijwillig te melden bij de autoriteiten van de Verenigde Staten.
De officier van justitie heeft – kort samengevat - gesteld dat de uitlevering toelaatbaar is en dat de dreiging van schending van artikel 6 EVRM Pro niet is komen vast te staan. De bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister van Veiligheid en Justitie brengt mee dat alleen de Minister van Veiligheid en Justitie bevoegd is om te oordelen over dreigende mensenrechtenschendingen.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van een uitleveringsverzoek in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM, zal respecteren. Schending van het EVRM staat slechts aan uitlevering in de weg indien ter terechtzitting vast komt te staan dat er een dreiging van flagrante inbreuk van artikel 6 EVRM Pro aanwezig is. Een dreigende schending van artikel 6 EVRM Pro, laat staan een dreigende flagrante schending, is niet aannemelijk geworden. Bovendien heeft de raadsman niet aangevoerd dat en waarom de opgeëiste persoon na zijn uitlevering geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM Pro ten dienste staat. Het verweer van de raadsman wordt verworpen, evenals het verzoek een getuige te horen.

6.Dubbele strafbaarheid

Het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht is naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika strafbaar en daarvoor kan een vrijheidsstraf van meer dan een jaar worden opgelegd, terwijl dit feit naar Nederlands recht als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar is en daarvoor een vrijheidsstraf van meer dan een jaar kan worden opgelegd.
Het feit is naar Nederlands recht te kwalificeren als:
moord.

7.Slotsom

De rechtbank concludeert dat ten aanzien van het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd aan alle daarvoor in de Wet en de toepasselijke Verdragen gestelde eisen is voldaan. De uitlevering dient daarom toelaatbaar te worden verklaard.

8.Toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen 289 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 2 van Pro de Uitleveringswet en de artikelen 1, 2, 9 en 11 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, met bijlage, gesloten te 's-Gravenhage op 24 juni 1980 (Trb. 1980, 11, Trb. 1980, 133, Trb. 2004, 296).

9.Beslissing.

Verklaart
TOELAATBAARde door de Verenigde Staten van Amerika verzochte uitlevering van
[opgeëiste persoon]alias
[alias opgeëiste persoon]voornoemd ter strafvervolging terzake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het feit zoals omschreven in het
Affidavit in support of request for extraditionvan de
Superior Court of Spokane County State of Washingtonvan 18 november 2022, dat is gevoegd bij het uitleveringsverzoek.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. A.J.R.M. Vermolen en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.G. van der Want griffier.
en uitgesproken ter openbare zitting van 23 februari 2023.
Ingevolge artikel 31 van Pro de UW kan de opgeëiste persoon tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.