Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2023:108

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 januari 2023
Publicatiedatum
13 januari 2023
Zaaknummer
13/277793-22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 §3 Kaderbesluit 2002/584/JBZArt. 6:162 BWArt. 11 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel en detentieomstandigheden in overleveringsprocedure

De rechtbank Amsterdam behandelde op 11 januari 2023 een tussenuitspraak over een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen. Het EAB betreft de overlevering van een persoon verdacht van deelneming aan een criminele organisatie en betrokkenheid bij schietincidenten in België.

De rechtbank stelde vast dat het EAB genoegzaam is en voldoet aan de vereisten van de Overleveringswet, waaronder een voldoende omschrijving van het strafbare feit en de rol van de opgeëiste persoon. De strafbaarheid is gebaseerd op een lijstfeit waarvoor dubbele strafbaarheid niet hoeft te worden onderzocht. Tevens is een garantie gegeven dat de opgeëiste persoon bij veroordeling in België zijn straf in Nederland kan ondergaan.

Vanwege ernstige zorgen over de detentieomstandigheden in België, die een reëel gevaar op onmenselijke of vernederende behandeling opleveren, besloot de rechtbank de beslissing over de overlevering aan te houden en stelde een redelijke termijn van maximaal 60 dagen vast voor hernieuwde behandeling. Het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie werd afgewezen wegens groot vluchtgevaar en onvoldoende binding met Nederland.

De rechtbank verlengde de beslistermijn en de gevangenhouding met 60 dagen en bepaalde dat de zaak uiterlijk 14 dagen voor 1 maart 2023 opnieuw op zitting komt. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: Beslissing over overlevering wordt aangehouden vanwege reëel gevaar op onmenselijke behandeling in Belgische detentie; verzoek tot schorsing overleveringsdetentie afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/277793-22
RK nummer: 22/4676
Datum uitspraak: 11 januari 2023
TUSSEN
UITSPRAAK
op de vordering van de officier van justitie van 3 november 2022 bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 oktober 2022 door de rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
gedetineerd in de [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 december 2022. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P. Sholeh, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft middels een schriftelijke verklaring afstand gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn bij de zitting. Zijn gemachtigd raadsman mr. E.M. Steller, advocaat in Schiphol, heeft namens hem het woord gevoerd.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel bij verstek uitgevaardigd door een onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen van 25 oktober 2022 (2022/134).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Genoegzaamheid

De raadsman heeft aangevoerd dat het EAB niet genoegzaam is en dat daarom de overlevering moet worden geweigerd. In de aanvullende informatie van 22 december 2022 is een pleegperiode genoemd, maar deze is niet onderbouwd. Deze periode is bovendien slechts gebaseerd op een onderzoekshypothese. Verder is niet duidelijk uit welke personen de criminele organisatie heeft bestaan en wat de rol van de opgeëiste persoon daarin is geweest. Zonder deze informatie kan het specialiteitsbeginsel niet worden gewaarborgd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om aanhouding van de zaak om op deze punten nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is, met name nu het strafrechtelijk onderzoek nog in volle gang is.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
In deze zaak is het volgende van belang.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 22 december 2022 volgt dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht dat hij als lid van een criminele organisatie betrokken is geweest bij een schietincident op een restaurant in [plaats schietincident] op 8 juli 2022. Er zijn aanwijzingen dat deze criminele organisatie ook verantwoordelijk is voor andere schietincidenten, op gelieerde doelwitten, in de periode juni tot en met december 2022.
De rechtbank is van oordeel dat met deze omschrijving aan genoemde vereisten is voldaan. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat het een vervolgings-EAB betreft en het onderzoek dus nog gaande is en de verdenking op dit moment nog niet volledig uitgekristalliseerd hoeft te zijn..

5.Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 1, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat het lijstfeit niet in redelijkheid is aangekruist. Uit het EAB blijkt niet van een duurzaam samenwerkingsverband, noch van een organisatie of een rolverdeling.
De rechtbank overweegt als volgt.
Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of het strafbare feit waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijst valt. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. [4]
Op basis van wat de raadsman aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken. De feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, vallen onder het lijstfeit “deelneming aan een criminele organisatie”.

6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, hij deze straf in Nederland mag ondergaan.
De procureur des Konings te Turnhout heeft op 19 december 2022 de volgende garantie gegeven:
Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon] .
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

7.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden

De rechtbank heeft bij uitspraak van 21 december 2022 [5] geoordeeld dat er thans een reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling voor alle gedetineerden in België. In deze uitspraak heeft de rechtbank ook geoordeeld dat de eerdere algemene detentie-garantie, die vooral betrekking heeft op de personal space van 3 m2 - in combinatie met de ‘grondslapersproblematiek’ - en de sanitaire omstandigheden, niet langer toereikend is.
Er is dus sprake van een individueel reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon. De mogelijkheid bestaat echter dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog kan worden uitgesloten. [6]
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat geen gevolg geven aan het EAB op dit moment nog niet aan de orde is. De rechtbank zal de beslissing over de overlevering daarom aanhouden en op de volgende zitting onderzoeken of een wijziging in de omstandigheden optreedt. De rechtbank stelt de in artikel 11, vierde lid, OLW bedoelde redelijke termijn in deze zaak vast op maximaal 60 dagen. Binnen deze termijn zal de vordering opnieuw op een openbare zitting worden behandeld.
Op basis van artikel 22, zesde lid, OLW, verlengt de rechtbank de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW, met 60 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Wanneer binnen de hierboven gestelde redelijke termijn geen wijzigingen in de omstandigheden zijn opgetreden, zal aan de overlevering ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW, geen gevolg worden gegeven.

8.Verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie

De raadsman heeft verzocht om schorsing van de overleveringsdetentie. De opgeëiste persoon heeft familie in Nederland. Hij is bereid zich aan alle voorwaarden te houden, zoals het inleveren van zijn identiteitsbewijs en een dagelijkse meldplicht. De verdenking lijkt heel dun en de opgeëiste persoon heeft een groot belang om in vrijheid de overleveringsprocedure in Nederland af te wachten. Er is geen vluchtgevaar.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen schorsing van de overleveringsdetentie, omdat de opgeëiste persoon onvoldoende binding heeft met Nederland.
De rechtbank wijst het verzoek af. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een dusdanig groot vluchtgevaar, dat dit niet kan worden ondervangen met voorwaarden. De rechtbank betrekt daarbij enerzijds de ernst van de verdenking en de overeenkomstige hoge strafdreiging. Anderzijds is niet gebleken van een serieuze binding met Nederland. De opgeëiste persoon woont weliswaar in Nederland met zijn familie, maar heeft hier geen werk, studie of (eigen) woning dan wel andere zaken die hij mogelijk verliest door op de vlucht te slaan. Daarnaast vindt de rechtbank ook niet dat de opgeëiste persoon inmiddels dusdanig lang in overleveringsdetentie heeft gezeten of dreigt te zitten dat het voortduren daarvan een schending van artikel 6 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zou opleveren.

9.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek ter zitting tot een nader te bepalen zittingsdatum en -tijd.
HOUDT AANde beslissing over de overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, België.
WIJST AFhet verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie.
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, zesde lid, OLW met zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met zestig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALTdat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland uiterlijk 14 dagen vóór 1 maart 2023, het einde van de verlengde beslistermijn.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
Aldus gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en E.G.M.M. van Gessel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 11 januari 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (LU (Recouvrement d’amendes de circulation routière)), punt 42.
6.Artikel 11, tweede lid, OLW