AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentiebezwaar Polen
De rechtbank Amsterdam behandelde op 14 december 2022 een vordering tot overlevering van een Poolse verdachte aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Regional Court in Toruń. De verdachte wordt gezocht voor het uitzitten van een vrijheidsstraf van drie jaar en zes maanden wegens deelname aan een criminele organisatie en witwassen.
Tijdens de procedure werd vastgesteld dat de identiteit van de verdachte correct was en dat hij de Poolse nationaliteit bezit. De rechtbank onderzocht de toepassing van artikel 12 OverleveringswetPro (OLW) betreffende het verschijningsverzuim van de verdachte bij het Poolse proces. Hoewel niet kon worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk op de hoogte was van de zittingsdatum, zag de rechtbank geen schending van verdedigingsrechten en besloot af te zien van weigering op grond van artikel 12 OLWPro.
De raadsman voerde aan dat de detentieomstandigheden in Polen ontoereikend zijn en de veiligheid van de verdachte niet kunnen garanderen, wat tot weigering van overlevering zou moeten leiden op grond van artikel 11 OLWPro. De rechtbank hanteerde het kader van het Europese Hof van Justitie en concludeerde dat er geen actueel of concreet gevaar is voor onmenselijke behandeling in Polen. De rechtbank wees het verweer af en besloot de overlevering toe te staan.
De rechtbank oordeelde dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen en dat er geen andere weigeringsgronden waren. De overlevering werd toegestaan zonder mogelijkheid tot gewoon rechtsmiddel.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks bezwaren over detentieomstandigheden en artikel 12 OLW-verweer.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/244669-22
RK nummer: 22/4375
Datum uitspraak: 14 december 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 OverleveringswetPro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 30 september 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 juni 2022 door The Regional Court of Toruń(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1969
laatst opgegeven woon- of verblijfplaats:
[adres], [plaats]
uit anderen hoofde gedetineerd in de [detentieadres]
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1.Procesgang
Zitting van 16 november 2022
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 november 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Zitting van 30 november 2022
De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 30 november 2022.
Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie
mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman,
mr. P.C. Schouten, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van de Regional Court in Toruńvan
2 januari 2017, met referentie II K 45/12.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden, door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon niet is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid en dat hij op de juiste wijze via de post is opgeroepen voor de zitting.
Uit aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 27 oktober 2022 en 4 november 2022 blijkt dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om namens hem op te treden en dat deze hem daadwerkelijk ter zitting heeft vertegenwoordigd.
Op grond van het voorgaande is niet voldaan aan de situatie zoals bedoeld in artikel 12 onderPro b, OLW, omdat uit de aanvullende informatie niet kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk op de hoogte was van de datum en tijdstip van de zitting. Ook de andere in artikel 12 OLWPro genoemde omstandigheden doen zich niet voor en evenmin is een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
De rechtbank ziet echter aanleiding af te zien van het toepassen van de weigeringsgrond van artikel 12 OLWPro nu het op de weg lag van de opgeëiste persoon om alert te blijven en te informeren over de verdere verloop van de strafprocedure tegen hem, al dan niet bij zijn raadsman. Van een schending van verdedigingsrechten is in dit geval geen sprake.
5.Strafbaarheid
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten naar Nederlands recht op:
Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven
en
medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, meermalen gepleegd
en
medeplegen van witwassen.
6.Detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
De raadsman doet een beroep op artikel 11 OLWPro omdat er door Polen onvoldoende maatregelen zijn getroffen om de veiligheid van de opgeëiste persoon in detentie te kunnen garanderen. Op die grond dient de overlevering te worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De detentieomstandigheden staan niet in de weg aan overlevering van de opgeëiste persoon aangezien de rechtbank Amsterdam geen algemeen gevaar voor Polen heeft vastgesteld.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank hanteert bij de toetsing van het verweer het kader, zoals dat is gegeven door het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest van 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru).
De rechtbank heeft eerder naar aanleiding van overleveringsverzoeken uit Polen de detentieomstandigheden aldaar beoordeeld, waarbij, onder meer in de uitspraak van
22 oktober 2018 [1] , is vastgesteld dat uit de beschikbare gegevens over de algemene detentieomstandigheden in Polen niet blijkt van een reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 vanPro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Evenmin heeft de raadsman objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over detentieomstandigheden in Polen naar voren gebracht die duiden op een verandering in de situatie. Nu de rechtbank ook ambtshalve niet over dergelijke informatie beschikt kan geen algemeen gevaar worden vastgesteld en komt de rechtbank niet toe aan de vraag of een dergelijk gevaar concreet voor de opgeëiste persoon geldt. De rechtbank verwerpt het verweer.
7.Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.
8.Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 47, 140 en 420bis Wetboek van Strafrecht, de artikelen 68 en 69 AWR en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.
9.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon]aan the Regional court of Toruń(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. P. van Kesteren, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en J. van Zijl, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 14 december 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.