ECLI:NL:RBAMS:2022:6426

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 november 2022
Publicatiedatum
7 november 2022
Zaaknummer
AMS 20 /1376
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T. Fernig-Rocour
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 AVGArt. 15 AVGArt. 4 AVGArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing inzageverzoek persoonsgegevens en vergoeding wegens redelijke termijnoverschrijding

Eiser, een niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die opvang ontvangt van de gemeente Amsterdam, verzocht op grond van de AVG inzage in zijn persoonsgegevens. Verweerder verstrekte een algemeen overzicht van de verwerkte gegevens en een aantal deels geanonimiseerde documenten. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet verplicht was meer te verstrekken omdat het inzageverzoek onvoldoende was gespecificeerd.

De rechtbank verwees naar eerdere vergelijkbare uitspraken waarin soortgelijke verzoeken werden afgewezen wegens gebrek aan specificatie. Het feit dat verweerder in deze zaak geen separaat specificatieverzoek had gestuurd, veranderde hieraan niets omdat in andere zaken wel een dergelijk verzoek was gedaan zonder reactie van eisers gemachtigde.

Eiser vorderde tevens een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de bezwaar- en beroepsprocedure samen ruim anderhalf jaar te lang had geduurd, waardoor de Staat werd veroordeeld tot betaling van €1.500 aan immateriële schadevergoeding. Daarnaast werden proceskosten van €379,50 aan eiser toegekend.

De rechtbank wees het beroep inhoudelijk af, kende vrijstelling van griffierecht toe en bepaalde dat tegen deze uitspraak hoger beroep mogelijk is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het inzageverzoek wordt ongegrond verklaard, maar de Staat wordt veroordeeld tot betaling van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 20/1376

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2022 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,verweerder.
en
de Staat der Nederlanden (namens deze, de minister van Justitie en Veiligheid, hierna de Staat).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van een inzageverzoek van eiser op grond van de AVG. [1]
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 11 juli 2019 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 januari 2020 op het bezwaar van eiser heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, maar is hij in essentie bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Kort voor de zitting is de rechter in deze zaak gewijzigd. De rechtbank heeft het beroep op
28 september 2022 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijstelling griffierecht
1. Eiser heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank wijst het verzoek toe, omdat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan de voorwaarden voor vrijstelling voldoet. Dit betekent dat eiser geen griffierecht hoeft te betalen.
De inhoudelijke beoordeling
2. Eiser is een niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die opvang krijgt van de gemeente Amsterdam. Hij heeft op grond van artikel 12 en Pro artikel 15, eerste lid, van de AVG verzocht om inzage in zijn door verweerder verwerkte persoonsgegevens.
3. De voorliggende vraag is of verweerder heeft voldaan aan het inzageverzoek van eiser, door een algemeen overzicht te verstrekken van de verwerkte persoonsgegevens en een viertal (deels geanonimiseerde) afschriften van documenten waarin persoonsgegevens van eiser voorkomen. Volgens verweerder was hij niet gehouden om meer te verstrekken dan nu is gedaan, omdat eiser zijn verzoek heel algemeen heeft geformuleerd en niet nader heeft gespecificeerd. Eiser heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat verweerder meer informatie had moeten verschaffen.
4. De rechtbank stelt vast dat recentelijk een aantal soortgelijke zaken van dezelfde gemachtigde op zitting zijn geweest bij deze rechtbank. Op 27 juli 2022 is in die zaken uitspraak gedaan. [2] In die uitspraken is geoordeeld dat de inzageverzoeken onvoldoende waren gespecificeerd en dat verweerder om die reden mocht volstaan met een algemeen overzicht van de verwerkte gegevens en afgifte van een aantal afschriften van documenten. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 7 tot en met 9 van de genoemde uitspraak en maakt die overwegingen tot de hare. De rechtbank ziet geen aanleiding in deze zaak anders te oordelen dan in die uitspraak is gedaan. Voor zover verweerder in deze zaak geen separaat specificatieverzoek aan eisers gemachtigde heeft gestuurd, na ontvangst van diens verzoek, maakt dat het oordeel niet anders. In andere, rond dit verzoek ingediende, soortgelijke verzoeken ingediend door dezelfde gemachtigde, heeft verweerder wel een specificatieverzoek verzonden, maar daarop is niet gereageerd. Alleen al daarom heeft verweerder in deze zaak zonder nader specificatieverzoek kunnen volstaan met het algemene overzicht van de verwerkte gegevens zoals met het bestreden besluit is gegeven.
5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
Het verzoek om schadevergoeding
6.1.
Eiser heeft verder aangevoerd dat hij aanspraak maakt op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM. [3] Volgens vaste rechtspraak mag in een procedure als deze de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, indien de fase van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar heeft geduurd, tenzij er omstandigheden zijn die een langere behandelduur rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,-- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden. De te beoordelen periode vangt in beginsel aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.
6.2.
Eiser heeft op 29 juli 2019 zijn bezwaarschrift ingediend. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar zou de procedure uiterlijk op 29 juli 2021 moeten zijn afgerond met een uitspraak. Dat is niet gebeurd, De uitspraak is gedaan op 7 november 2022. De termijn is overschreden – naar boven afgerond – met een jaar en 6 maanden. De overschrijding komt volledig voor rekening van de rechterlijke fase. De Staat zal dan ook worden veroordeeld tot het betalen van € 1.500,-.
6..3 Ook de proceskosten die eiser heeft gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding komen voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank begroot deze kosten op € 379,50 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van
€ 759,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de Staat om aan eiser een vergoeding voor immateriële schade te betalen van € 1.500,- ;
  • veroordeelt verweerder in de kosten van eiser van deze procedure tot een bedrag van € 379,50 (driehonderdnegenenzeventig euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Fernig-Rocour, rechter, in aanwezigheid van
mr.N. Bissumbhar, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2022.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage: Juridisch kader

AVG
In artikel 4 van Pro de AVG is het volgende bepaald:
“1) „persoonsgegevens”: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene”); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een
online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon; (…)” .
In artikel 12, eerste lid, van de AVG is het volgende bepaald:
“De verwerkingsverantwoordelijke neemt passende maatregelen opdat de betrokkene de in de artikelen 13 en 14 bedoelde informatie en de in de artikelen 15 tot en met 22 en artikel 34 bedoelde Pro communicatie in verband met de verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt, in het bijzonder wanneer de informatie specifiek voor een kind bestemd is. De informatie wordt schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van, indien dit passend is, elektronische middelen, verstrekt. Indien de betrokkene daarom verzoekt, kan de informatie mondeling worden meegedeeld, op voorwaarde dat de identiteit van de betrokkene met andere middelen bewezen is.
In artikel 15, eerste lid, van de AVG is het volgende bepaald:
“1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:
a. a) de verwerkingsdoeleinden;
b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;
f) dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
g) wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;
h) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.”

Voetnoten

1.Algemene verordening gegevensbescherming
2.Zie onder meer de uitspraak met nummer 20/1862, ECLI:NL:RBAMS:2022:4220.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.