Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2022 in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser
de Minister van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Wat aan deze procedure voorafging
op pagina 1 onderaan) in
document 11ten onrechte de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob heeft toegepast. Verweerder heeft hierbij onvoldoende gemotiveerd dat openbaarmaking leidt tot onevenredige benadeling van de politie. Hetzelfde geldt voor de losse zin in
document 12, halverwege pagina 2
(boven het stuk dat buiten de reikwijdte is beoordeeld) en de laatste alinea in
document 14(
onder kopje 10). In
document 13.1op pagina 2 onder de eerste twee bullets heeft verweerder de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, aanhef, en onder d en g van de Wob ten onrechte toegepast. Het gaat hier immers om algemeen bekende informatie. Niet valt in te zien dat openbaarmaking van deze informatie leidt tot onevenredige benadeling van de politie of dat het belang van inspectie, controle en toezicht zwaarder moet wegen.
document 8(pagina 4) ten onrechte heeft toegepast. De rechtbank ziet niet in dat hier sprake is van een persoonlijke beleidsopvatting in de zin van de Wob. Verweerder dient deze alinea opnieuw te beoordelen. Bij de overige documenten waar deze weigeringsgrond is toegepast, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de gelakte informatie terecht heeft aangemerkt als documenten bestemd voor intern beraad en dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat de betreffende passages als persoonlijke beleidsopvattingen dienen te gelden.
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I en III gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit I voor zover daarbij openbaarmaking van de documenten 8, 11, 12, 13.1 en 14 van de inventarislijst (deels) is geweigerd en laat het bestreden besluit I voor het overige in stand;
- vernietigt het bestreden besluit III, voor zover aan eiser bij de toekenning van de proceskosten in bezwaar 0,5 punt wordt toegekend voor het bijwonen van de hoorzitting en laat het bestreden besluit III voor het overige in stand;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.785,-.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2022.