Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Verloop van de procedure
2.De feiten en het verzoek
Opmerking R-C m.b.t. wraking:
Rechtbank Amsterdam
Verzoeker, verdachte in een strafzaak, diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter-commissaris die hem op 16 augustus 2022 had verhoord en een bevel tot bewaring had gegeven. Het verzoek was gebaseerd op de stelling dat de rechter partijdig zou zijn ten aanzien van een boa, aangeduid als "die andere mevrouw".
De wrakingskamer heeft het verzoek inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de wettelijke criteria uit artikel 512 en Pro 513 van het Wetboek van Strafvordering. Daarbij is overwogen dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat alleen gegronde feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid aantasten of de schijn daarvan kunnen leiden tot wraking.
De kamer concludeerde dat verzoeker geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die de onpartijdigheid van de rechter-commissaris aantonen of de objectief gerechtvaardigde schijn daarvan wekken. De enkele stelling van partijdigheid ten aanzien van de boa is onvoldoende en het verzoek kon niet worden aangevuld. Daarom is het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en afgewezen.
Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris is afgewezen wegens ontbreken van gegronde aanwijzingen voor partijdigheid.