ECLI:NL:RBAMS:2022:5559

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 september 2022
Publicatiedatum
23 september 2022
Zaaknummer
13/165556-22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 9 Wegenverkeerswet 1994Art. 12 OLW
Verwijzingen
15 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over gedeeltelijke overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen. Het EAB betreft drie vonnissen met gevangenisstraffen waarvoor de opgeëiste persoon nog een deel van de straf moet ondergaan.

Ten aanzien van het eerste en tweede vonnis oordeelde de rechtbank dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon niet zijn geschonden, mede omdat hij als verdachte is verhoord en op de hoogte was van de procedure. Daarom werd de overlevering voor deze vonnissen toegestaan.

Voor het derde vonnis stelde de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de procedure in hoger beroep en dat hij onvoldoende geïnformeerd was over de procedure in hoger beroep, waardoor zijn verdedigingsrechten mogelijk zijn geschonden. De rechtbank zag geen reden om af te zien van de bevoegdheid om de overlevering te weigeren en besloot de overlevering voor dit vonnis te weigeren.

Een verzoek om aanhouding van de procedure in afwachting van een verzoek tot strafovername door Nederland werd afgewezen, omdat niet aan de vereisten voor strafovername was voldaan. De rechtbank wees de overlevering toe voor de eerste twee vonnissen en wees deze af voor het derde vonnis.

Uitkomst: Overlevering wordt toegestaan voor twee vonnissen en geweigerd voor het derde vonnis wegens schending van verdedigingsrechten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/165556-22
RK nummer: 22/3457
Datum uitspraak: 15 september 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 juli 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 september 2021 door
the Regional Court of Law in Częstochowa(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1983,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 september 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.V. Hoogerduyn, advocaat te Den Haag, en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van drie voor tenuitvoerlegging vatbare vonnissen:
  • een
  • een
  • een
Ten aanzien van vonnis I wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren nog vier maanden en achtentwintig dagen.
Ten aanzien van vonnis II wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon dient de gehele straf nog te ondergaan.
Ten aanzien van vonnis III wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren nog één jaar, één maand en negenentwintig dagen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Ten aanzien van vonnis I met referentienummer III K 74/16
Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot vonnis I heeft geleid, maar dat hij in persoon is gedagvaard en daarmee op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van het proces en hij ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt. Uit het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 1 augustus 2022 volgt dat de opgeëiste persoon in persoon op 16 februari 2016 een oproep heeft gekregen voor de zitting van 17 maart 2016. De opgeëiste persoon is op de zitting van 17 maart 2016 verschenen en vervolgens is hij op die zitting door de rechtbank in persoon op de hoogte gebracht van de volgende zitting op 14 april 2016. Daar is hij vervolgens niet verschenen.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van vonnis I de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder a, OLW zich voordoet. Er is daarom geen sprake van een weigeringsgrond voor dit vonnis.
Ten aanzien van vonnis II met referentienummer III K 36/17
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro zich voordoet, maar dat er redenen zijn om af te zien van de bevoegdheid om deze weigeringsgrond toe te passen. De opgeëiste persoon is verhoord als verdachte en heeft een adres opgegeven en is geïnstrueerd over de verplichting om een eventuele adreswijziging door te geven. De oproep is naar het door hem opgegeven adres verstuurd. Zijn verdedigingsrechten zijn daarom niet geschonden, aldus de officier van justitie.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie dat overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 1 augustus 2022 volgt dat de opgeëiste persoon in deze strafzaak als verdachte is verhoord en schuld heeft bekend, zodat hij op de hoogte was van de verdenking. Verder is van belang dat de opgeëiste persoon blijkens de aanvullende informatie is geïnstrueerd over zijn rechten en plichten als verdachte, in het bijzonder over de wijze waarop hij bereikbaar voor justitie moest blijven. Hij is daarbij expliciet gewezen op de verplichting om eventuele adreswijzigingen door te geven en hij is gewezen op de consequenties van het niet voldoen aan deze verplichting, namelijk dat documenten gezonden aan het laatst bekende adres geacht worden juist te zijn betekend. Hij heeft deze instructie ondertekend. Blijkens het EAB en de aanvullende informatie is er tweemaal, onder meer op 8 februari 2017, een oproep voor de zitting naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd. De rechtbank gaat, gelet op het vertrouwensbeginsel, uit van de juistheid van deze informatie.
Hieruit volgt dat de opgeëiste persoon niet alleen op de hoogte was van de strafrechtelijke procedure, maar ook dat hij er op zijn minst rekening mee moest houden dat hij op het door hem opgegeven adres officiële correspondentie over (het vervolg van) die procedure kon ontvangen. Gelet op deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat overlevering een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt, omdat hij, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De opgeëiste persoon is immers in 2016 naar Nederland vertrokken en gesteld noch gebleken is dat hij een adreswijziging heeft doorgegeven aan de Poolse autoriteiten.
Ten aanzien van vonnis III met referentienummer III K 432/16 en arrest met referentienummer VII Ka 966/17
Standpunt van de officier van justitie
De officier heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen de procedure in hoger beroep getoetst dient te worden en dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro zich voordoet, maar dat er redenen zijn om af te zien van de bevoegdheid om deze weigeringsgrond toe te passen. De opgeëiste persoon is in het vooronderzoek als verdachte verhoord en bij dit verhoor heeft hij een adres opgegeven. In eerste aanleg is hij aanvankelijk vertegenwoordigd door een gemachtigd raadsman. De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld en de oproep voor de zitting in hoger beroep is naar het opgegeven adres van de opgeëiste persoon gezonden. De oproep is door zijn moeder in ontvangst genomen. Zijn verdedigingsrechten zijn daarom niet geschonden, aldus de officier van justitie. De officier van justitie verwijst in dit verband naar een uitspraak van deze rechtbank van 2 september 2021. [1]
Oordeel van de rechtbank
Als de strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro lid 1 Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 van Pro de OLW, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 augustus 2017 in de zaak Tupikas, ECLI:EU:C:2017:628). Uit het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 1 augustus 2022 blijkt dat tegen vonnis III hoger beroep is ingesteld door
the District Prosecutor. In de aanvullende informatie van 1 augustus 2022 staat dat “
the Regional Court in Czestochowa (…) after re-examining the case substantively, both in terms of facts and law, with the judgement of 16 January 2018, changed the judgement of the District Court in Czestochowa of 12 September 2017 by increasing the sentence of imprisonment”.
De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat de zaak in hoger beroep ten gronde is behandeld. Dit betekent dat de rechtbank in deze zaak alleen de procedure in hoger beroep behoeft te toetsen aan artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De opgeëiste persoon is tijdens het vooronderzoek voorafgaand aan de procedure in eerste aanleg als verdachte verhoord en daarbij gewezen op de verplichting om een adres op te geven waar correspondentie over de strafprocedure naar toe zal worden gezonden. Ook is hij gewezen op de verplichting om eventuele adreswijzigingen door de geven en de consequenties indien hij dit niet zou doen. Uit het EAB en de aanvullende informatie kan niet worden afgeleid dat aan de opgeëiste persoon is meegedeeld dat deze verplichting zich ook zou uitstrekken over een eventuele procedure in hoger beroep. Ook anderszins blijkt niet dat de opgeëiste persoon in het kader van de procedure in hoger beroep de zogenoemde ‘adresinstructie’ heeft ontvangen.
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Een oproep voor de zitting in hoger beroep is op het door de opgeëiste persoon opgegeven adres afgegeven en aldaar door zijn moeder in ontvangst genomen. De opgeëiste persoon verbleef op dat moment al in Nederland. De rechtbank kan niet vaststellen dat de opgeëiste persoon op de hoogte is geraakt van de oproep die zijn moeder heeft ontvangen. De rechtbank kan ook niet vaststellen dat de opgeëiste persoon anderszins op de hoogte moet zijn geraakt van (de mogelijkheid van) de procedure in hoger beroep. Met betrekking tot de door de officier van justitie aangehaalde uitspraak van 2 september 2021 overweegt de rechtbank nog dat in die uitspraak, anders dan in deze zaak, geen melding wordt gemaakt van een behandeling in hoger beroep.
Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen dat overlevering van de opgeëiste persoon geen schending van zijn verdedigingsrechten inhoudt. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen reden om van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren af te zien en zal de overlevering daarom weigeren ten aanzien van vonnis III.

4.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

5.Overige verweren

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft verzocht om aanhouding van de zaak totdat de Poolse rechtbank een beslissing heeft genomen op een door de Poolse advocaat van de opgeëiste persoon ingediend verzoekschrift. Dit verzoekschrift strekt ertoe dat de Poolse rechtbank instemt met overname door Nederland van de gevangenisstraf die de opgeëiste persoon in Polen nog dient uit te zitten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat een overname van de tenuitvoerlegging van de straf door Nederland niet aan de orde is, omdat niet is voldaan aan de vereisten voor gelijkstelling met een Nederlander.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst het aanhoudingsverzoek af. De overname van de tenuitvoerlegging van een straf kan aan de orde zijn in geval van weigering van de overlevering op grond van artikel 6a OLW. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft tijdens de zitting echter expliciet gesteld dat er geen beroep wordt gedaan op artikel 6a OLW, omdat de opgeëiste persoon nog geen vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Het door de Poolse advocaat ingediende verzoekschrift valt buiten het toetsingskader zoals dat in de OLW is neergelegd en geeft daarom geen aanleiding om de behandeling van de procedure aan te houden.

6.Slotsom

Nu ten aanzien van de vonnissen I en II is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering voor die vonnissen te worden toegestaan. Ten aanzien van vonnis III wordt de overlevering geweigerd.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 12 van de Overleveringswet.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court of Law in Częstochowa(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB voor zover deze betrekking hebben op de vonnissen I en II met zaaknummers
III K 74/16en
III K 36/17.
WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court of Law in Częstochowavoor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB dat betrekking heeft op het vonnis III met zaaknummer
III K 432/16.
Aldus gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. M. van Mourik en M. Snijders Blok - Nijensteen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 15 september 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.