De rechtbank Amsterdam sprak een 26-jarige vrouw vrij van medeplegen en medeplichtigheid aan mensenhandel door uitbuiting in de prostitutie van een vrouw in de periode januari 2020 tot februari 2021. De vrouw werd ervan verdacht betrokken te zijn bij het in contact brengen van het slachtoffer met medeverdachten, het boeken van hotelkamers, het maken van foto’s voor seksadvertenties, het kopen van douchespullen en condooms en het afpakken van verdiensten.
Uit het dossier bleek dat medeverdachten zich schuldig hadden gemaakt aan mensenhandel en uitbuiting van het slachtoffer, waarbij sprake was van bedreiging en controle. De verdachte had contact met de medeverdachten en het slachtoffer, maar de rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat zij wetenschap had van de uitbuitingssituatie of dat zij bewust had meegewerkt aan de mensenhandel.
Hoewel verdachte dubieus handelde en de grenzen van het toelaatbare opzocht, ontbrak het aan overtuigend bewijs van opzet of medeplichtigheid. De rechtbank hield ook rekening met haar licht verstandelijke beperking en de naïeve indruk die zij maakte. De dagvaarding werd deels nietig verklaard, en de vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd afgewezen omdat geen straf of maatregel was opgelegd aan verdachte.