ECLI:NL:RBAMS:2022:3854
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontbinding huurovereenkomst wegens niet-bewoning en afwijzing medehuurderschap zoon
De zaak betreft een sociale huurwoning die sinds 1984 wordt verhuurd aan wijlen de heer en mevrouw [eiser 2]. Hun zoon, [eiser 1], die sinds zijn vijfde in de woning woont, verzocht om medehuurderschap toe te kennen. Stichting Ymere stelde dat er geen sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en dat de moeder de woning niet zelf bewoonde.
De kantonrechter oordeelde dat de moeder van 2018 tot 2022 lange periodes in Pakistan verbleef en de woning niet als hoofdverblijf gebruikte. Dit vormde een tekortkoming in het goed huurderschap, mede gezien het belang van de verhuurder bij rechtvaardige verdeling van sociale huurwoningen. Tevens werd vastgesteld dat de woning zonder toestemming werd gebruikt door de zoon en zijn gezin.
Hierdoor werd de huurovereenkomst ontbonden per 11 november 2022. Het verzoek tot medehuurderschap werd afgewezen omdat geen gemeenschappelijke huishouding bestond. De partijen werden veroordeeld in de proceskosten, waarbij de kosten aan de zijde van Stichting Ymere in reconventie nihil werden gesteld.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden wegens niet-bewoning en het verzoek tot medehuurderschap wordt afgewezen.