ECLI:NL:RBAMS:2022:3102

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 mei 2022
Publicatiedatum
6 juni 2022
Zaaknummer
13/054510-22
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 UitvoeringswetArt. 23 OverleveringswetArt. 598 Handels- en SamenwerkingsovereenkomstArt. 606 OverleveringsovereenkomstArt. 599 Overleveringsovereenkomst
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op basis van Brits aanhoudingsbevel ondanks verweer over onvoldoende specificatie en detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde op 17 mei 2022 de vordering tot overlevering van een persoon aan het Verenigd Koninkrijk op basis van een aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een Britse rechter. De opgeëiste persoon werd verdacht van het medeplegen van drugshandel, waarbij cocaïne en heroïne in de omgeving van een Britse plaats werden verstrekt.

De verdediging voerde aan dat het aanhoudingsbevel onvoldoende specifiek was en dat de verdenking mogelijk ook op Nederlands grondgebied zou kunnen zijn gepleegd, wat een weigeringsgrond zou vormen. De rechtbank oordeelde echter dat het bevel voldoende informatie bevatte over de aard, tijd en plaats van de feiten, en dat er geen aanwijzingen waren dat de feiten deels in Nederland plaatsvonden.

Daarnaast werd het bezwaar tegen detentieomstandigheden in een specifieke Britse gevangenis besproken. De rechtbank concludeerde dat de gegeven detentiegarantie voldoende was, ondanks het mogelijke risico van plaatsing in een andere inrichting.

Gelet op deze overwegingen en de naleving van de toepasselijke wettelijke bepalingen, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan het Verenigd Koninkrijk toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/054510-22
RK nummer: 22/1385
Datum uitspraak: 31 mei 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 3 Uitvoeringswet Pro Handels- en Samenwerkingsovereenkomst
EU – VK Justitie en Veiligheid (Uitvoeringswet) juncto artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank.
Deze vordering dateert van 10 maart 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Aanhoudingsbevel (AB) als bedoeld in artikel 598 van Pro de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (Overleveringsovereenkomst).
Dit AB is uitgevaardigd op 1 februari 2022 door
the District Judge sitting at Liverpool Magistrates’ Court(Verenigd Koninkrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedag] 1988,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 17 mei 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman, mr. C.C. Polat, advocaat te Breukelen.
Op grond van artikel 3 Uitvoeringswet Pro jo. artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Britse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het AB

In het AB wordt melding gemaakt van een
Warrant of arrest in the first instance issued by the Deputy District Judge sitting at South Sefton Magistrates’ Court on 24 November 2021.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van het Verenigde Koninkrijk ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het AB.

4.Genoegzaamheid

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het AB ongenoegzaam is, nu daarin de pleegplaats en de verdenking – kort gezegd – te algemeen zijn omschreven.
De rechtbank overweegt dat het AB, gelet op artikel 606 Overleveringsovereenkomst, gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringsovereenkomst geformuleerde vereisten. Daartoe dient het AB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.
In de onderhavige zaak geldt het volgende.
In het AB is in onderdeel e) – kort samengevat – vermeld dat de opgeëiste persoon samen met anderen in de periode van 1 januari tot 30 juni 2020 cocaïne en heroïne heeft verstrekt in het Verenigd Koninkrijk, in het bijzonder in de omgeving [plaats 1] . Naar het oordeel van de rechtbank is deze omschrijving, mede gelet op het feit dat het onderzoek nog loopt, genoegzaam. Het is voor de opgeëiste persoon duidelijk waarvan hij wordt verdacht en het specialiteitsbeginsel is voldoende gewaarborgd.

5.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

Het Verenigd Koninkrijk heeft de kennisgeving als bedoeld in artikel 599, vierde lid, van de Overleveringsovereenkomst niet gedaan. [1] Toetsing van de dubbele strafbaarheid conform artikel 599, tweede lid, Overleveringsovereenkomst kan dus niet achterwege blijven.
Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 599, eerste en tweede lid, Overleveringsovereenkomst zijn opgenomen.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2 Uitvoeringswet Pro

De raadsman heeft gesteld dat niet valt uit te sluiten dat de feiten gedeeltelijk op Nederlands grondgebied zijn gepleegd. De verdenking is immers gestoeld op encrochat berichten en encrochat kan grensoverschrijdend worden gebruikt. De overlevering zou daarom op grond van dit artikel moeten worden geweigerd.
De rechtbank ziet, evenals de officier van justitie, geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de feiten gedeeltelijk op Nederlands grondgebied zouden zijn gepleegd. De in dit artikel bedoelde weigeringsgrond is dan ook niet van toepassing.

7.Detentieomstandigheden

De rechtbank heeft in eerdere uitspraken geoordeeld dat in de Penitentiaire Inrichting HMP Bedford een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De
Director General HM Prison and Probation Serviceheeft in de brief van 5 mei 2022 het volgende verklaard:
The EAW for [opgeëiste persoon] was issued by Liverpool Crown Court and it is likely that a trial would take place at a nearby Court in the area of Liverpool. It is usual practice to make efforts to house suspects close to the location of their trial and it is therefore most likely that [opgeëiste persoon] would be held in HMP Liverpool. HMP Bedford is outside this region of the United Kingdom and so the likelihood of [opgeëiste persoon] being located there is remote. However, this cannot be discounted entirely as if operational necessary or the behaviour of the individual necessitates transfer, there remains the possibility that an individual will be located outside the geographical region in which they are being tried.
De rechtbank heeft in eerdere uitspraken al geoordeeld dat deze garantie voldoende is. Zij ziet – anders dan de raadsman – geen aanleiding om nu tot een ander oordeel te komen. Dat een plaatsing in HMP Bedford niet wordt uitgesloten, maakt niet dat de garantie onvoldoende moet worden bevonden. [2]

8.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het AB voldoet aan de eisen van artikel 606 Overleveringsovereenkomst en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 47 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en de artikelen 1 en 3 Uitvoeringswet en 604 en 606 Overleveringsovereenkomst.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon] aan
the District Judge sitting at Liverpool Magistrates’ Court(Verenigd Koninkrijk).
Aldus gedaan door
mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en J.P.W. Helmonds, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog , griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 31 mei 2022.
De voorzitter en de oudste rechter zijn buiten staat te tekenen.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet juncto artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie rechtbank Amsterdam, 2 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6353
2.Vgl. Hof van Justitie van de Europese Unie 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 (ML).