ECLI:NL:RBAMS:2022:2586

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 april 2022
Publicatiedatum
12 mei 2022
Zaaknummer
13/751962-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 Wetboek van StrafrechtArt. 1 Uitvoeringswet Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU-VKArt. 3 Uitvoeringswet Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU-VKArt. 599 OverleveringsovereenkomstArt. 606 Overleveringsovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering verdachte aan Verenigd Koninkrijk ondanks levenslange gevangenisstraf

De rechtbank Amsterdam behandelde op 13 april 2022 de vordering tot overlevering van een verdachte aan het Verenigd Koninkrijk op grond van een aanhoudingsbevel van 27 augustus 2021. De verdachte, geboren in het VK en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van een strafbaar feit dat in Nederland als doodslag kwalificeert.

De rechtbank onderzocht de identiteit van de verdachte en de inhoud van het aanhoudingsbevel. Er werd getoetst aan de vereisten van de Overleveringsovereenkomst, waaronder de dubbele strafbaarheid. De rechtbank concludeerde dat aan deze voorwaarden was voldaan en dat het feit strafbaar is onder Nederlands recht.

De verdediging voerde aan dat er een reëel gevaar bestaat dat de verdachte een levenslange gevangenisstraf krijgt zonder uitzicht op vrijlating, wat in strijd zou zijn met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU. De rechtbank oordeelde echter dat het Britse rechtssystem mogelijkheden biedt voor voorwaardelijke of vervroegde invrijheidstelling, ook al is dit politiek bepaald en zonder duidelijk moment van vrijlating.

De rechtbank zag geen aanleiding om de overlevering op te schorten in afwachting van een uitspraak in een vergelijkbare zaak bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Ook werden geen aanvullende vragen gesteld aan de uitvaardigende autoriteit. Gezien het voldoen aan alle wettelijke eisen en het ontbreken van weigeringsgronden, werd de overlevering toegestaan.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan het Verenigd Koninkrijk toe ondanks het risico op een levenslange gevangenisstraf.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751962-21
RK nummer: 22/718
Datum uitspraak: 26 april 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 3 Uitvoeringswet Pro Handels- en Samenwerkingsovereenkomst
EU – VK Justitie en Veiligheid (Uitvoeringswet) juncto artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank.
Deze vordering dateert van 7 februari 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Aanhoudingsbevel (AB) als bedoeld in artikel 598 van Pro de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (Overleveringsovereenkomst).
Dit AB is uitgevaardigd op 27 augustus 2021 door de
Sheriff Court of Lothian and Borders at Edinburgh(Verenigd Koninkrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Verenigd Koninkrijk) op [geboortedag] 1993,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 april 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Engelse taal.
Op grond van artikel 3 Uitvoeringswet Pro jo. artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Britse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het AB

In het AB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel van de
Glasgow Sheriff Courtvan 27 augustus 2021.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van het Verenigde Koninkrijk ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het AB.

4.Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

Het Verenigd Koninkrijk heeft de kennisgeving als bedoeld in artikel 599, vierde lid, van de Overleveringsovereenkomst niet gedaan. [1] Toetsing van de dubbele strafbaarheid conform artikel 599, tweede lid, Overleveringsovereenkomst kan dus niet achterwege blijven.
Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 599, eerste en tweede lid, Overleveringsovereenkomst zijn opgenomen.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
doodslag.
5. Artikel 604, aanhef en onder a, Overleveringsovereenkomst: levenslange gevangenisstraf
Ten aanzien van de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht, kan naar het recht van het Verenigd Koninkrijk een levenslange gevangenisstraf worden opgelegd.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar op schending van zijn in artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) gewaarborgde grondrecht bestaat, omdat hij mogelijk een levenslange gevangenisstraf opgelegd krijgt in het Verenigd Koninkrijk. Oplegging van een levenslange gevangenisstraf is in beginsel niet in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest, als er een uitzicht op vrijlating bestaat. Juridisch (de iure) bestaan er in het Verenigd Koninkrijk mogelijkheden tot invrijheidstelling bij veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf. Doordat de minister in Schotland betrokkenheid heeft bij alle modaliteiten die strekken tot (voorwaardelijke) of vervroegde invrijheidsstelling betreft dit echter een politiek besluit. Daarnaast verschaffen de bestaande mogelijkheden de veroordeelde geen duidelijk moment waarop invrijheidstelling plaats zou kunnen vinden. In de praktijk (de facto) blijkt voorwaardelijke of vervroegde invrijheidsstelling van een tot een levenslange gevangenisstraf veroordeelde niet (of nauwelijks) plaats te vinden.
De raadsman heeft de rechtbank gewezen op de zaak McCallum tegen Italië die bij het Europees Hof voor de Rechten van de mens (het EHRM) is aangebracht. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak te schorsen in afwachting van de uitspraak in deze zaak. Daarnaast heeft de raadsman de rechtbank verzocht de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende vragen te stellen over de mogelijkheden tot invrijheidstelling bij veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf en met name de procedure bij de
Parole Board.
De officier van justitie heeft betoogd dat er voor de opgeëiste persoon geen reëel gevaar op schending van zijn in artikel 4 van Pro het Handvest gewaarborgde grondrecht bestaat. Het Verenigd Koninkrijk voorziet de iure en de facto in mogelijkheden tot invrijheidstelling voor veroordeelden aan wie een levenslange gevangenisstraf is opgelegd. De politieke invloed geldt niet in alle gevallen, de opgeëiste persoon heeft namelijk de mogelijkheid om zelf een verzoek tot (voorwaardelijke) invrijheidsstelling te doen, welk verzoek de minister verplicht aan de
Parole Boardmoet voorleggen. De zaak is niet te vergelijken met de zaak McCallum, omdat daar sprake is van
life without parole, hetgeen een andere strafmodaliteit betreft. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de overlevering toe te staan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de mogelijkheden tot voorwaardelijke en vervroegde invrijheidsstelling en gratie bij veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf uiteengezet in onderdeel h) van het AB en in de aanvullende informatie van de
Crown Office and Procurator Fiscal Servicete Edinburgh van 12 april 2022. Daaruit volgt dat het systeem in Schotland ten aanzien van
parole(voorwaardelijke vrijlating),
compassionate releaseen
the Royal Prerogative of Mercy(gratie) overeenkomen met het systeem in Engeland, dat door de rechtbank is beoordeeld in haar uitspraak van 2 november 2021. [2] De rechtsorde van het Verenigd Koninkrijk voorziet derhalve in de mogelijkheid tot herziening van een eventueel op te leggen levenslange gevangenisstraf – op verzoek of ten minste na twintig jaar – strekkende tot niet-uitvoering van de straf. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding de overlevering afhankelijk te maken van een garantie als bedoeld in artikel 604 aanhef Pro en onder a, Overleveringsovereenkomst.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om de uitspraak in de zaak McCallum tegen Italië af te wachten omdat het in die zaak, anders dan in deze zaak, om een levenslange gevangenisstraf zonder mogelijkheid tot voorwaardelijke vrijlating (
life without parole)gaat. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het AB voldoet aan de eisen van artikel 606 Overleveringsovereenkomst en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 287 Wetboek Pro van Strafrecht, de artikelen 1 en 3 Uitvoeringswet en de artikelen 599 en 606 Overleveringsovereenkomst.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Sheriff Court of Lothian and Borders at Edinburgh(Verenigd Koninkrijk) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het AB.
Aldus gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. J.P.W. Helmonds en G.M. Beunk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.A. Dijk, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 26 april 2022.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet juncto artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie rechtbank Amsterdam, 2 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6353
2.Rb Amsterdam 2 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6353, punt 8.