Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Inleiding
primair:het opzettelijk doen van zes onjuiste kwartaalaangiften omzetbelasting
2.Vrijspraak
Inleidende opmerkingen
Toetsingskader
Beoordeling
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde de strafzaak tegen een rechtspersoon die werd verdacht van het opzettelijk doen van onjuiste btw-aangiften en het valselijk opmaken van haar bedrijfsadministratie in het kader van internationale metaalhandel met Britse afnemers.
De officier van justitie stelde dat de verdachte wist van btw-fraude door Britse afnemers en dat de handel met een andere verdachte rechtspersoon schijnhandel betrof, bedoeld om fraude af te schermen. De verdediging voerde aan dat het bewijs ontbrak voor wetenschap van fraude en dat de facturen de werkelijke transacties weerspiegelden.
De rechtbank oordeelde dat voor zes van de zeven onderzochte Britse afnemers geen fraude in de handelsketen kon worden vastgesteld. Bij één afnemer was wel fraude vastgesteld, maar niet dat de verdachte of haar bestuurder hiervan op de hoogte waren. Ook de WhatsApp-berichten en fraudekenmerken boden onvoldoende bewijs voor wetenschap van fraude.
Ten aanzien van het valselijk opmaken van de administratie stelde de rechtbank vast dat de verdachte haar administratie niet vals had opgesteld, ondanks twijfel over het economische nut van de handelspositie. Gelet op het ontbreken van bewijs sprak de rechtbank de verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.
Uitkomst: De rechtbank spreekt de verdachte rechtspersoon vrij wegens onvoldoende bewijs van opzettelijke btw-fraude en valsheid in geschrift.