De rechtbank Amsterdam behandelde op 5 april 2022 een vordering tot overlevering van een Belgische opgeëiste persoon op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het parket van de procureur des Konings West-Vlaanderen, afdeling Veurne. Het EAB betrof de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van één maand, waarvan nog veertien dagen resteren.
De verdediging voerde aan dat overlevering geweigerd moet worden omdat de opgelegde straf minder dan vier maanden bedraagt, conform artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b van de Overleveringswet (OLW). De officier van justitie stelde dat overlevering toch kan worden toegestaan om straffeloosheid te voorkomen, aangezien Nederland geen rechtsmacht heeft over de feiten.
De rechtbank oordeelde dat de wettelijke eis van een minimale strafduur van vier maanden niet is vervuld en dat het niet is toegestaan om straffen uit verschillende EAB's bij elkaar op te tellen. Omdat het EAB slechts betrekking heeft op één feit, kan de overlevering niet worden toegestaan.
De rechtbank besloot daarom de overlevering te weigeren en de overleveringsdetentie op te heffen. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.