ECLI:NL:RBAMS:2022:1863

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 april 2022
Publicatiedatum
7 april 2022
Zaaknummer
13.751136-22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 lid 9 OverleveringswetArt. 598 onder c Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU-VKArt. 610 Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU-VKArt. 3 lid 2 onder g Uitvoeringswet Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU-VK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting overleveringsdetentie op grond van Brits aanhoudingsbevel na rechterlijke toetsing

De rechtbank Amsterdam behandelde op 6 april 2022 een zaak betreffende de voortzetting van de inverzekeringstelling van een opgeëiste persoon op grond van een Brits aanhoudingsbevel. De opgeëiste persoon werd op 30 maart 2022 aangehouden en gedetineerd in Nederland. De rechtbank voerde een ambtshalve toetsing uit van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling, conform artikel 21 lid 9 van Pro de Overleveringswet (OLW) en de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU-VK.

De rechtbank stelde vast dat de officier van justitie niet de uitvoerende rechterlijke autoriteit is zoals bedoeld in de relevante artikelen van de HSO en de Uitvoeringswet. De rechtbank is de bevoegde instantie om te beslissen over de voortzetting van de inverzekeringstelling. Daarbij werd verwezen naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RBAMS:2020:5778) waarin het belang van een spoedige rechterlijke toetsing werd benadrukt.

Na beoordeling van het aanhoudingsbevel concludeerde de rechtbank dat er vluchtgevaar bestaat en dat er geen reden is om het bevel tot inverzekeringstelling op te heffen. De overleveringsdetentie wordt daarom voortgezet in overeenstemming met artikel 3 van Pro de Uitvoeringswet juncto artikel 21 van Pro de Overleveringswet.

Uitkomst: De rechtbank besluit de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon voort te zetten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.751136-22
BESLISSING
De autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hebben om overlevering verzocht van de opgeëiste persoon:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedag] 1985,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] .
De opgeëiste persoon is op 30 maart 2022 aangehouden op grond van een aanhoudingsbevel. De rechtbank heeft kennis genomen van het dossier, waaronder het
Bevel tot inverzekeringstelling en voortzetting inverzekeringstellingvan 1 april 2022 van de officier van justitie en het proces-verbaal van verhoor van de opgeëiste persoon bij de officier van justitie van diezelfde datum.
De rechtbank is van oordeel dat de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling door de rechtbank getoetst moet worden. De rechtbank verwijst daartoe naar de artikelen 598 onder c en 610 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU-VK (HSO) en artikel 3, lid 2, onder g van de Uitvoeringswet Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU-VK (Uitvoeringswet). In artikel 598 onder Pro c HSO staat dat onder ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ wordt verstaan:
de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende staat die krachtens het interne recht van die staat bevoegd is om het aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen. Die uitvoerende rechterlijke autoriteit beslist volgens artikel 610 HSO Pro of een persoon in hechtenis blijft. Volgens artikel 3, lid 2 onder g van de Uitvoeringswet, het interne recht, is de uitvoerende justitiële autoriteit de justitiële autoriteit die krachtens het nationale recht bevoegd is tot het nemen van de beslissing tot overlevering op basis van een aanhoudingsbevel krachtens de HSO. Dat is niet de officier van justitie, maar de rechtbank. Dat in de namens Nederland gedane kennisgevingen ook de officier van justitie wordt genoemd, doet daaraan niet af.
De rechtbank verwijst naar haar beslissing van 25 november 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:5778) waarin is geoordeeld dat steeds spoedig na de aanhouding een rechterlijke toets dient plaats te vinden of de inverzekeringstelling wordt voortgezet. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat dit ook in de onderhavige zaak heeft te gelden. Deze rechterlijke toetsing vindt thans, korte tijd na het bevel tot inverzekeringstelling en dus spoedig na de aanhouding, plaats.
De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van het aanhoudingsbevel. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit (enig) vluchtgevaar. Overigens ziet de rechtbank geen grond voor opheffing van het bevel tot inverzekeringstelling.
De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de overleveringsdetentie dient te worden voortgezet.
Gelet op artikel 3 Uitvoeringswet Pro juncto artikel 21 van Pro de Overleveringswet.

BESLISSING:

De rechtbank beslist:

- dat het bevel tot inverzekeringstelling niet wordt opgeheven en de overleveringsdetentie van
[opgeëiste persoon]wordt voortgezet.
Deze beslissing is genomen op 6 april 2022 door:
mr. M.E.M. James-Pater, rechter,
in tegenwoordigheid van C. van den Berg, griffier.