ECLI:NL:RBAMS:2022:1778
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging buitenwettelijke noodopvang gezin in Amsterdam
Verzoekster, een vrouw met de Ghanese nationaliteit en moeder van twee Nederlandse kinderen, verbleef in buitenwettelijke noodopvang in Amsterdam. De gemeente besloot deze opvang te beëindigen op grond van de regiobindingseis, omdat verzoekster niet vier jaar in Amsterdam heeft gewoond. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om haar verblijf in de noodopvang te verlengen totdat op haar bezwaar was beslist.
De voorzieningenrechter overwoog dat noodopvang een algemene voorziening is waarvoor toegangseisen mogen gelden, waaronder regiobinding om schaarse opvang te reserveren voor mensen met een binding aan Amsterdam. Verzoekster voldeed niet aan deze eis, maar kreeg desondanks tijdelijk opvang vanwege haar bijzondere situatie.
Verzoekster stelde dat het beëindigen van de opvang haar kinderen, als EU-burgers, in hun fundamentele verblijfsrechten zou schaden. De rechter vond dit betoog onvoldoende onderbouwd en oordeelde dat verzoekster en haar kinderen niet anders worden behandeld dan Nederlandse gezinnen. Ook is zij financieel ondersteund en beschikt over een geldige verblijfstitel.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de gemeente zorgvuldig heeft gehandeld en voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de kinderen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. De uitspraak bindt niet in een eventueel bodemgeding en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen beëindiging van de noodopvang wordt afgewezen.