ECLI:NL:RBAMS:2021:7868

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 september 2021
Publicatiedatum
13 januari 2022
Zaaknummer
AMS 20/6939
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 AwirArt. 7 AwirArt. 8 AwirArt. 20 AwirArt. 21 Awir
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugvordering huur- en zorgtoeslag op basis van verzamelinkomen 2019 en 2020

Eiser ontvangt sinds februari 2019 huur- en zorgtoeslag en kreeg voorschotten voor 2019 en 2020. De Belastingdienst Toeslagen (B/T) herzag de toeslagen op basis van inkomensgegevens uit de Basisregistratie inkomen (BRI) en de door eiser opgegeven gegevens, waarna teveel betaalde voorschotten werden teruggevorderd.

Eiser betwist de terugvordering en stelt dat hij van een minimuminkomen leefde en zonder toeslagen dakloos zou zijn geworden. Hij begrijpt niet waarom toeslagen op basis van het jaarinkomen worden berekend terwijl de aanvraagdatum kan variëren.

De rechtbank oordeelt dat de B/T de toeslagen terecht heeft vastgesteld op basis van het verzamelinkomen zoals vastgesteld door de belastinginspecteur en de door eiser opgegeven gegevens. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die terugvordering zouden kunnen matigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

De rechtbank wijst erop dat de beoordeling van de wetgeving en beleidskeuzes bij de wetgever ligt en niet bij de rechter. Er is geen aanleiding tot veroordeling in proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de terugvordering van huur- en zorgtoeslag over 2019 en 2020 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 20/6939

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser (hierna: [eiser] )

en

Belastingdienst Toeslagen, verweerder (hierna: B/T)

( [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Met een besluit van 4 september 2020 (het primaire besluit I) heeft de B/T de zorg- en huurtoeslag van [eiser] voor het jaar 2019 definitief vastgesteld op respectievelijk € 832,- en € 0,- en het te veel betaalde voorschot zorg- en huurtoeslag teruggevorderd.
Met een besluit van 23 september 2020 (het primaire besluit II) heeft de B/T de zorg- en huurtoeslag van [eiser] voor het jaar 2020 opnieuw berekend en vastgesteld op respectievelijk € 214,- en € 436,-.
Met een besluit van 18 november 2020 (het bestreden besluit) heeft de B/T de bezwaren van [eiser] tegen beiden primaire besluiten kennelijk ongegrond verklaard.
[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De B/T heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2021 via een beeldverbinding.
[eiser] is niet verschenen. De B/T heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat aan deze procedure voorafging
1. [eiser] ontvangt sinds 1 februari 2019 huur- en zorgtoeslag. Voor het jaar 2019 en 2020 heeft [eiser] voorschotten huur- en zorgtoeslag ontvangen. De hoogte van de huur- en zorgtoeslag voor het jaar 2019 is, na enkele eerdere aanpassingen, met een voorschotbeschikking van 23 juli 2019 herzien en vastgesteld op € 3.749,- aan huurtoeslag en € 1.090,- aan zorgtoeslag op basis van een verzamelinkomen van € 17.000,-. Op 27 mei 2020 ontvangt de B/T vanuit de Basisregistratie inkomen (BRI) een melding dat het inkomen van [eiser] over het jaar 2019 is vastgesteld op € 22.995,-. Daarom heeft de B/T met het primaire besluit I de huur- en zorgtoeslag voor het jaar 2019 definitief vastgesteld op € 0,- aan huurtoeslag en € 835,- aan zorgtoeslag en het teveel betaalde voorschot van € 4.004 van [eiser] teruggevorderd.
2. De hoogte van de huur- en zorgtoeslag voor het jaar 2020 is met een voorschotbeschikking van 27 december 2019 vastgesteld op € 4.084,- aan huurtoeslag en
€ 1.250,- aan zorgtoeslag op basis van een verzamelinkomen van € 17.443,-. Op 31 augustus 2020 heef [eiser] een gewijzigd verzamelinkomen doorgegeven van € 29.077,-. Daarom heeft de B/T met het primaire besluit II de huur- en zorgtoeslag voor het jaar 2020 herzien op € 436,- aan huurtoeslag en € 214,- aan zorgtoeslag en het teveel betaalde voorschot van
€ 4.684,- van [eiser] teruggevorderd. Dit betekent dat [eiser] in totaal een bedrag van
€ 8.688,- exclusief rente moet terugbetalen.
3. Met het bestreden besluit heeft de B/T de bezwaren van [eiser] kennelijk ongegrond verklaard.
Standpunt van [eiser]
4. [eiser] is het niet eens met de terugvordering van het voorschot aan huur- en zorgtoeslag over 2019 en 2020. [eiser] voert aan dat hij van februari 2019 tot augustus 2020 van een minimum inkomen heeft geleefd en dat hij zonder de toeslagen zijn vaste lasten niet zou hebben kunnen betalen en dakloos zou zijn geworden. Volgens [eiser] zijn de toeslagen bedoeld voor mensen, zoals hij die door terugval in inkomen hun vaste lasten niet kunnen betalen. Verder begrijpt [eiser] niet waarom de toeslagen op basis van zijn jaarinkomen worden berekend, terwijl de toeslagen met iedere willekeurige ingangsdatum kunnen worden aangevraagd.
Wettelijk kader
5. Voor het gehanteerde wettelijk kader verwijst de rechtbank naar de bijlage die aan deze uitspraak is gehecht.
Het oordeel van de rechtbank
6. In deze zaak moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de B/T op goede gronden de huur- en zorgtoeslag van [eiser] definitief heeft vastgesteld op basis van een verzamelinkomen van € 22.995,- voor het jaar 2019 en of de B/T op goede gronden de huur- en zorgtoeslag heeft herzien op basis van een verzamelinkomen van € 29.077,- voor het jaar 2020. In het verlengde hiervan is ook de vraag of de B/T terecht de teveel uitbetaalde huur- en zorgtoeslag van [eiser] heeft teruggevorderd.
Definitieve berekening 2019
7. De rechtbank overweegt als volgt. De hoogte van de huur- en zorgtoeslag wordt vastgesteld aan de hand van de draagkracht van [eiser] . Daarbij is het verzamelinkomen van eiser bepalend. Het verzamelinkomen blijkt uit de aanslag inkomstenbelasting over het berekeningsjaar, in dit geval 2019. Vaststaat dat in de BRI is vastgelegd dat het verzamelinkomen van [eiser] voor het jaar 2019 € 22.995,- bedraagt. Volgens vaste rechtspraak is de B/T verplicht het door de inspecteur vastgestelde verzamelinkomen te volgen. [1] Voor zover [eiser] van mening is dat de B/T bij het vaststellen van huur- en zorgtoeslag over 2019 van een ander bedrag had moeten uitgaan, wordt dit betoog verworpen.
Herziening voorschot 2020
8. Voor het jaar 2020 heeft [eiser] zijn verzamelinkomen van € 29.077,- doorgegeven aan de B/T. Ter zitting is besproken dat de B/T nog niet over de definitieve inkomensgegevens over het jaar 2020 beschikt. Zo lang de huur- en zorgtoeslag voor het jaar 2020 nog niet definitief is vastgesteld, is de B/T bevoegd om het voorschot vast te stellen op basis van de eigen opgave van [eiser] van zijn inkomen. Gesteld noch gebleken is dat de berekening van de B/T van het voorschot over 2020 op basis van dit door [eiser] opgegeven inkomen onjuist is.
Terugvordering
9. [eiser] voert aan dat hij wegens slechte financiële omstandigheden de terugvordering niet kan betalen. De B/T moet bij het besluit tot terugvordering de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen en de B/T kan onder bijzondere omstandigheden van terugvordering afzien of het te vorderen bedrag matigen. Die belangenafweging komt er in de kern op neer dat de nadelige gevolgen van het terugvorderingsbesluit voor [eiser] niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. De B/T heeft beleidsregels opgesteld in het Verzamelbesluit Toeslagen [2] over (onder meer) de belangenafweging bij het terugvorderen. Zo kunnen alleen bijzondere omstandigheden zich verzetten tegen gehele terugvordering. Als bij aanwezigheid van dergelijke bijzondere omstandigheden een gehele terugvordering onevenredig is, kan de B/T afzien van de terugvordering of het bedrag van de terugvordering matigen.
10. [eiser] heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd. Hij heeft weliswaar gesteld dat hij in slechte financiële omstandigheden verkeert, maar hij heeft die stelling niet nader onderbouwd. Nu dat niet is gebeurd, is er voor de B/T geen aanleiding geweest om af te zien van de terugvordering of het bedrag van de terugvordering te matigen.
11. [eiser] heeft tot slot nog gesteld dat de toeslag bedoeld is voor mensen zoals hij die te maken hebben met een terugval van inkomen en dat hij niet begrijpt waarom de toeslagen op basis van zijn jaarinkomen worden berekend, terwijl de toeslagen met iedere willekeurige ingangsdatum kunnen worden aangevraagd. Dit betoog is in essentie gericht tegen de keuzes die de wetgever heeft gemaakt bij de vaststelling van de wet. De rechter is echter niet bevoegd om te treden in een belangenafweging die de wetgever heeft gemaakt of om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. Dit betoog wordt daarom verworpen.
Conclusie
12. De B/T heeft de berekening van de huur- en zorgtoeslag voor het jaar 2019 en 2020 terecht gebaseerd op de bij haar bekende gegevens over het verzamelinkomen voor beide jaren en heeft op goede gronden de betreffende bedragen teruggevorderd.
13. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt.
14. Voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht is bij die uitkomst geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.J. Harten, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.S. Bissumbhar, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
20 september 2021.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage: Wettelijk kader

Zorgtoeslag en huurtoeslag zijn inkomensafhankelijke regelingen in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
Op grond van artikel 1, derde lid, van de Awir is de hoogte van de toe te kennen toeslag afhankelijk van de draagkracht van de belanghebbende.
Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Awir wordt de draagkracht gebaseerd op het toetsingsinkomen van de belanghebbende.
Artikel 8, eerste lid, van de Awir verstaat onder het toetsingsinkomen: het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegevens als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
In artikel 20, eerste lid, van de Awir is bepaald dat de B/T de tegemoetkoming kan herzien indien na de toekenning van de tegemoetkoming uit een eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging van een inkomensgegeven of niet in Nederland belastbaar inkomen blijkt dat de tegemoetkoming tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend met inachtneming van die eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging.
In artikel 26 van Pro de Awir, zoals dat gold tot 1 januari 2021, is bepaald dat indien een herziening van een tegemoetkoming of voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag, de betrokkene het bedrag van de terugvordering in zijn geheeld verschuldigd is.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1048.
2.Staatscourant nr. 2020-72441.