Overwegingen
Wat aan deze procedure voorafging
1. [eiser] ontvangt sinds 1 februari 2019 huur- en zorgtoeslag. Voor het jaar 2019 en 2020 heeft [eiser] voorschotten huur- en zorgtoeslag ontvangen. De hoogte van de huur- en zorgtoeslag voor het jaar 2019 is, na enkele eerdere aanpassingen, met een voorschotbeschikking van 23 juli 2019 herzien en vastgesteld op € 3.749,- aan huurtoeslag en € 1.090,- aan zorgtoeslag op basis van een verzamelinkomen van € 17.000,-. Op 27 mei 2020 ontvangt de B/T vanuit de Basisregistratie inkomen (BRI) een melding dat het inkomen van [eiser] over het jaar 2019 is vastgesteld op € 22.995,-. Daarom heeft de B/T met het primaire besluit I de huur- en zorgtoeslag voor het jaar 2019 definitief vastgesteld op € 0,- aan huurtoeslag en € 835,- aan zorgtoeslag en het teveel betaalde voorschot van € 4.004 van [eiser] teruggevorderd.
2. De hoogte van de huur- en zorgtoeslag voor het jaar 2020 is met een voorschotbeschikking van 27 december 2019 vastgesteld op € 4.084,- aan huurtoeslag en
€ 1.250,- aan zorgtoeslag op basis van een verzamelinkomen van € 17.443,-. Op 31 augustus 2020 heef [eiser] een gewijzigd verzamelinkomen doorgegeven van € 29.077,-. Daarom heeft de B/T met het primaire besluit II de huur- en zorgtoeslag voor het jaar 2020 herzien op € 436,- aan huurtoeslag en € 214,- aan zorgtoeslag en het teveel betaalde voorschot van
€ 4.684,- van [eiser] teruggevorderd. Dit betekent dat [eiser] in totaal een bedrag van
€ 8.688,- exclusief rente moet terugbetalen.
3. Met het bestreden besluit heeft de B/T de bezwaren van [eiser] kennelijk ongegrond verklaard.
4. [eiser] is het niet eens met de terugvordering van het voorschot aan huur- en zorgtoeslag over 2019 en 2020. [eiser] voert aan dat hij van februari 2019 tot augustus 2020 van een minimum inkomen heeft geleefd en dat hij zonder de toeslagen zijn vaste lasten niet zou hebben kunnen betalen en dakloos zou zijn geworden. Volgens [eiser] zijn de toeslagen bedoeld voor mensen, zoals hij die door terugval in inkomen hun vaste lasten niet kunnen betalen. Verder begrijpt [eiser] niet waarom de toeslagen op basis van zijn jaarinkomen worden berekend, terwijl de toeslagen met iedere willekeurige ingangsdatum kunnen worden aangevraagd.
5. Voor het gehanteerde wettelijk kader verwijst de rechtbank naar de bijlage die aan deze uitspraak is gehecht.
Het oordeel van de rechtbank
6. In deze zaak moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de B/T op goede gronden de huur- en zorgtoeslag van [eiser] definitief heeft vastgesteld op basis van een verzamelinkomen van € 22.995,- voor het jaar 2019 en of de B/T op goede gronden de huur- en zorgtoeslag heeft herzien op basis van een verzamelinkomen van € 29.077,- voor het jaar 2020. In het verlengde hiervan is ook de vraag of de B/T terecht de teveel uitbetaalde huur- en zorgtoeslag van [eiser] heeft teruggevorderd.
Definitieve berekening 2019
7. De rechtbank overweegt als volgt. De hoogte van de huur- en zorgtoeslag wordt vastgesteld aan de hand van de draagkracht van [eiser] . Daarbij is het verzamelinkomen van eiser bepalend. Het verzamelinkomen blijkt uit de aanslag inkomstenbelasting over het berekeningsjaar, in dit geval 2019. Vaststaat dat in de BRI is vastgelegd dat het verzamelinkomen van [eiser] voor het jaar 2019 € 22.995,- bedraagt. Volgens vaste rechtspraak is de B/T verplicht het door de inspecteur vastgestelde verzamelinkomen te volgen.Voor zover [eiser] van mening is dat de B/T bij het vaststellen van huur- en zorgtoeslag over 2019 van een ander bedrag had moeten uitgaan, wordt dit betoog verworpen.
Herziening voorschot 2020
8. Voor het jaar 2020 heeft [eiser] zijn verzamelinkomen van € 29.077,- doorgegeven aan de B/T. Ter zitting is besproken dat de B/T nog niet over de definitieve inkomensgegevens over het jaar 2020 beschikt. Zo lang de huur- en zorgtoeslag voor het jaar 2020 nog niet definitief is vastgesteld, is de B/T bevoegd om het voorschot vast te stellen op basis van de eigen opgave van [eiser] van zijn inkomen. Gesteld noch gebleken is dat de berekening van de B/T van het voorschot over 2020 op basis van dit door [eiser] opgegeven inkomen onjuist is.
9. [eiser] voert aan dat hij wegens slechte financiële omstandigheden de terugvordering niet kan betalen. De B/T moet bij het besluit tot terugvordering de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen en de B/T kan onder bijzondere omstandigheden van terugvordering afzien of het te vorderen bedrag matigen. Die belangenafweging komt er in de kern op neer dat de nadelige gevolgen van het terugvorderingsbesluit voor [eiser] niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. De B/T heeft beleidsregels opgesteld in het Verzamelbesluit Toeslagenover (onder meer) de belangenafweging bij het terugvorderen. Zo kunnen alleen bijzondere omstandigheden zich verzetten tegen gehele terugvordering. Als bij aanwezigheid van dergelijke bijzondere omstandigheden een gehele terugvordering onevenredig is, kan de B/T afzien van de terugvordering of het bedrag van de terugvordering matigen.
10. [eiser] heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd. Hij heeft weliswaar gesteld dat hij in slechte financiële omstandigheden verkeert, maar hij heeft die stelling niet nader onderbouwd. Nu dat niet is gebeurd, is er voor de B/T geen aanleiding geweest om af te zien van de terugvordering of het bedrag van de terugvordering te matigen.
11. [eiser] heeft tot slot nog gesteld dat de toeslag bedoeld is voor mensen zoals hij die te maken hebben met een terugval van inkomen en dat hij niet begrijpt waarom de toeslagen op basis van zijn jaarinkomen worden berekend, terwijl de toeslagen met iedere willekeurige ingangsdatum kunnen worden aangevraagd. Dit betoog is in essentie gericht tegen de keuzes die de wetgever heeft gemaakt bij de vaststelling van de wet. De rechter is echter niet bevoegd om te treden in een belangenafweging die de wetgever heeft gemaakt of om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. Dit betoog wordt daarom verworpen.
12. De B/T heeft de berekening van de huur- en zorgtoeslag voor het jaar 2019 en 2020 terecht gebaseerd op de bij haar bekende gegevens over het verzamelinkomen voor beide jaren en heeft op goede gronden de betreffende bedragen teruggevorderd.
13. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt.
14. Voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht is bij die uitkomst geen aanleiding.