ECLI:NL:RBAMS:2021:7303

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 december 2021
Publicatiedatum
14 december 2021
Zaaknummer
13-698368-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511c SvArt. 6:4:18 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ontnemingszaak na voldoening schikking wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht. De vordering betrof het vaststellen en opleggen van betaling van het voordeel verkregen door strafbare feiten waarvoor veroordeelde reeds was veroordeeld.

Veroordeelde was bij vonnis van 26 april 2019 veroordeeld voor het bezit en verhandelen van harddrugs en gewoontewitwassen. De officier van justitie had een ontnemingsschikking getroffen waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op € 50.000,00. Veroordeelde had dit bedrag volledig voldaan.

De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 6:4:18 Wetboek Pro van Strafvordering de zaak van rechtswege is geëindigd indien de schikking is voldaan. Hoewel de wet niet voorschrijft hoe de rechtbank dit moet beslissen, achtte de rechtbank het passend om te verklaren dat de zaak is geëindigd, aansluitend bij jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

De rechtbank verklaarde daarom dat de zaak van rechtswege is geëindigd. Hiermee is de ontnemingsprocedure formeel afgesloten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de ontnemingszaak van rechtswege beëindigd na volledige voldoening van de ontnemingsschikking.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS
Parketnummer: 13/698368-18
Datum uitspraak: 10 december 2021
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/698368-18 tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1957 te [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 26 november 2021.

2.De vordering

De vordering van de officier van justitie van 21 april 2017 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 102.924,07.
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft de feiten waarvoor [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld en andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.

3.Grondslag van de vordering

[veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2019 veroordeeld voor het voorhanden hebben van harddrugs, het verhandelen van harddrugs en gewoontewitwassen.

4.Het wederrechtelijk verkregen voordeel

Naar het oordeel van de rechtbank heeft veroordeelde door middel van voornoemde strafbare feiten voordeel verkregen.
De officier van justitie heeft kenbaar gemaakt dat met veroordeelde een ontnemingsschikking, als bedoeld in artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering (Sv), is getroffen waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op een bedrag van € 50.000,00. Gelet op het feit dat veroordeelde dit bedrag inmiddels volledig heeft voldaan, heeft de officier van justitie ter zitting gevorderd dat wordt verstaan dat de zaak van rechtswege is geëindigd.

5.Beslissing

Artikel 6:4:18 Sv Pro bepaalt dat, als met de veroordeelde een schikking is aangegaan en door de veroordeelde aan de termen van de schikking is voldaan de zaak (als de vordering tot ontneming al is ingediend bij de rechtbank) van rechtswege is geëindigd. De wet bepaalt niet hoe de beslissing van de rechtbank in zo’n geval moet luiden. De rechtbank overweegt dat hoewel het verstaan dat de zaak van rechtswege is geëindigd na het voldoen aan een schikking niet past in het systeem van de wet, deze beslissing het meest recht doet aan hetgeen de wetgever ten aanzien van de afhandeling van de ontnemingsprocedure heeft beoogd. De rechtbank verwijst naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7248.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verstaat dat de zaak van rechtswege is geëindigd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.M. Jongkind, voorzitter,
mrs. G.H. Marcus en L. Dolfing, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 december 2021.