De zaak betreft een geschil over geldleningsovereenkomsten tussen eiser en twee gedaagden: een besloten vennootschap en een eenmanszaak. Eiser vordert ontbinding van de overeenkomsten en betaling van de uitstaande bedragen vermeerderd met wettelijke handelsrente en incassokosten.
De rechtbank stelt vast dat de geldleningsovereenkomsten rechtsgeldig zijn gesloten en dat gedaagden in verzuim zijn gekomen met de nakoming van hun betalingsverplichtingen. Het verweer van de eenmanszaak dat er geen lening zou zijn verstrekt wordt verworpen op grond van dwingend bewijs van de onderhandse akte en de feitelijke betalingen.
Het achterstellingsbeding in de overeenkomst wordt uitgelegd als een rangregeling bij verhaal en heeft geen invloed op de aflossingsverplichting. De rechtbank veroordeelt gedaagden tot betaling van de hoofdsommen, wettelijke handelsrente vanaf respectievelijk 1 oktober en 1 november 2020, en buitengerechtelijke incassokosten. Tevens worden zij veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.