Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2021:5551

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 augustus 2021
Publicatiedatum
4 oktober 2021
Zaaknummer
13/751485-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 13 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering op grond van artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW) betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, België. De zaak betrof de overlevering van een opgeëiste persoon geboren in 2001. Na een eerste zitting op 29 juni 2021 werd de beslissingstermijn verlengd en volgde een tussenuitspraak op 13 juli 2021 waarin het onderzoek werd geschorst om aanvullende informatie over de detentieomstandigheden te verkrijgen.

De rechtbank had eerder geoordeeld dat er een reëel gevaar bestond op onmenselijke of vernederende behandeling in bepaalde Belgische gevangenissen vanwege het fenomeen van 'grondslapers' en beperkte celruimte. De opgeëiste persoon zou echter worden geplaatst in de gevangenis van Leuven-Hulp, waar hij een cel van 9 m² alleen zou betrekken, inclusief sanitair. De verdediging voerde geen verweer tegen deze aanvullende informatie.

De officier van justitie stelde dat het reële gevaar op schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie hiermee was weggenomen. De rechtbank concludeerde dat de detentieomstandigheden in Leuven-Hulp geen beletsel vormen voor overlevering. Gezien het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en er geen andere weigeringsgronden zijn, werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan België toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751485-21
RK nummer: 21/2528
Datum uitspraak: 26 augustus 2021
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 mei 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 april 2021 door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

Zitting 29 juni 2021
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 juni 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.G.A. Aben, advocaat te Eindhoven.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Tussenuitspraak 13 juli 2021
De rechtbank heeft op 13 juli 2021 een tussenuitspraak gewezen, waarin zij het onderzoek heeft heropend en voor onbepaalde tijd heeft geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit vragen te stellen over de detentieomstandigheden waaraan de opgeëiste persoon na een eventuele feitelijke overlevering zal worden blootgesteld. Op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd.
Zitting 26 augustus 2021
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 26 augustus 2021 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Westerman en de raadsvrouw,
mr. A.G.A. Aben. De opgeëiste persoon is – in strijd met zijn schorsingsvoorwaarden – niet verschenen. De rechtbank heeft, op vordering van de officier van justitie, de schorsing van het bevel gevangenhouding opgeheven. In verband met het verstrijken van de beslistermijn heeft de rechtbank direct uitspraak gedaan.

2.Tussenuitspraak van 13 juli 2021

De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 13 juli 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:4361). De overwegingen van de rechtbank in die tussenuitspraak dienen als hier ingelast en herhaald te worden beschouwd.

3.Detentieomstandigheden

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:3243) geoordeeld dat een reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden die terecht komen in een Belgische detentie-instelling waar sprake is van ‘grondslapers’, waardoor de minimale persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel van 3 m² niet meer is gewaarborgd. Het betreft de penitentiaire instellingen in Antwerpen, Brugge, Dendermonde, Gent, Hasselt, Mechelen en Oudenaarde.
In de aanvullende informatie van 5 augustus 2021 van de Belgische autoriteiten staat – voor zover hier relevant – dat de opgeëiste persoon wordt geplaatst in de gevangenis in Leuven-Hulp en dat hij alleen op een cel van 9 m² (inclusief sanitair) wordt geplaatst.
De raadsvrouw heeft op dit punt geen verweer gevoerd.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat met de aanvullende informatie het reële gevaar op schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) is weggenomen, zodat de overlevering kan worden toegestaan.
De rechtbank overweegt dat uit de aanvullende informatie volgt dat de opgeëiste persoon niet wordt geplaatst in een detentie-instelling ten aanzien waarvan de rechtbank in haar tussenuitspraak van 22 juni 2021 een reëel gevaar heeft aangenomen dat gedetineerden daar onmenselijk of vernederend worden behandeld. De detentieomstandigheden in die instellingen vormen daarom geen beletsel voor overlevering.

4.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

5.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

6.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de rechtbank van eerste aanleg te Leuven (België).
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. M.E.M. James-Pater en A.K. Mireku, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 26 augustus 2021.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.