De rechtbank Amsterdam behandelde twee zaken tegen verdachte: zaak A met beschuldigingen van poging tot woninginbraak, diefstal met geweld en afpersing, en zaak B met mishandeling en vernieling. Na onderzoek en meerdere zittingen sprak de rechtbank verdachte vrij van de feiten in zaak A vanwege onvoldoende bewijs en onbetrouwbare verklaringen van de aangever.
In zaak B werd verdachte schuldig bevonden aan mishandeling van zijn ex-vriendin en vernieling van haar eigendommen en die van een zorginstelling. De mishandeling was zeer gewelddadig, met onder meer slaan met een pijp, gebruik van een brandblusser en haren uitrekken. De vernielingen betroffen onder andere een telefoon, laptop en kookplaat.
De rechtbank hield rekening met het strafblad van verdachte en deskundigenrapporten die een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een hoog recidiverisico vaststelden. De rechtbank oordeelde dat het jeugdstrafrecht niet van toepassing was en legde een gevangenisstraf van 3 maanden op, met aftrek van voorarrest. Een tbs-maatregel werd niet opgelegd vanwege de aard van de feiten en de wettelijke kaders.
De voorlopige hechtenis werd opgeheven omdat de opgelegde straf korter was dan de tijd die verdachte in voorarrest had doorgebracht. De rechtbank benadrukte de ernst van de mishandeling en vernieling en de noodzaak van behandeling, maar koos voor een vrijheidsstraf gezien de omstandigheden en het strafblad.