Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
15 september 2020 namelijk niet vermeld waarom hij het niet eens is met het primaire besluit.
.Gemeenteambtenaren hebben zich immers tot [eiser] gewend met een verzoek. Het is niet onbegrijpelijk dat [eiser] dan met een tegenvoorstel komt. De rechtbank acht het begrijpelijk dat in de beleving van [eiser] hij zich in een onderhandelingsfase met het college bevond. Het college heeft er in het verweerschrift op gewezen dat het college het voorstel van [eiser] niet aanvaardbaar vindt en dat elke aanvraag op zijn eigen waarde wordt beoordeeld. Dit kan zo zijn, maar dit had het college nu juist tijdig in een reactie op het emailbericht van
15 september 2020 aan hem kenbaar moeten maken. [eiser] had dan tijdig geweten wat hem te doen stond. Het college heeft te formalistisch opgetreden door het bezwaar (kennelijk) niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de gronden van bezwaar één dag te laat zijn ingediend. Op de zitting heeft de gemachtigde van het college toegelicht dat [eiser] het voorstel heeft verstuurd aan de heer [naam] , medewerker Vergunningen, in het kader van een lopende aanvraag met betrekking tot het souterrain. De rechtbank overweegt dat van een burger niet verwacht kan worden dat hij het onderscheid maakt dat de onderhavige zaak al in de bezwaarfase was en door een andere afdeling van de gemeente in behandeling was. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het college in dit geval in redelijkheid niet van haar bevoegdheid heeft mogen maken om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 181,- aan [eiser] te vergoeden.
mr.R. Boerlage, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2021.