Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2021:4019

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 juli 2021
Publicatiedatum
2 augustus 2021
Zaaknummer
13/751550-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 29 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing onderzoek overlevering opgeëiste persoon op grond van detentieomstandigheden in België

De rechtbank Amsterdam behandelde op 13 juli 2021 een vordering op grond van artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW) inzake een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel. Het EAB betreft strafrechtelijke vervolging van de opgeëiste persoon wegens deelneming aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen.

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon vastgesteld en onderzocht de grondslag van het EAB. De feiten zijn opgenomen in bijlage 1 bij de OLW, waardoor de dubbele strafbaarheidstoets achterwege blijft. De officier van justitie stelde voor af te zien van de weigeringsgrond dat de feiten deels in Nederland zijn gepleegd, omdat het onderzoek in België plaatsvindt en bewijsmiddelen daar aanwezig zijn.

De verdediging stelde dat de opgeëiste persoon mogelijk zal worden gedetineerd in een Belgische instelling waar onmenselijke of vernederende omstandigheden kunnen voorkomen, zoals grondslapers en niet-afgeschermde toiletten. De rechtbank achtte de informatie over detentieomstandigheden in Brussel onvoldoende actueel en betrouwbaar en besloot het onderzoek te schorsen om nadere informatie bij de Belgische autoriteiten op te vragen over de individuele celruimte en sanitaire voorzieningen.

De beslistermijn is met 30 dagen verlengd en de zaak wordt voor onbepaalde tijd geschorst. De rechtbank beveelt tevens de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank schorst het onderzoek en verzoekt nadere informatie over detentieomstandigheden na overlevering.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-751550-21
RK nummer: 21/2967
Datum uitspraak: 27 juli 2021
TUSSEN
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 mei 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 mei 2021 door
de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel(België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1994,
verblijfsadres: [adres] ,
gedetineerd in de [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 juli 2021. Het verhoor heeft middels een telehoorverbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
bevel tot aanhouding bij verstek van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel van 21 mei 2021.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1 en 5, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Belgisch recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW kan de rechtbank de overlevering in die situatie weigeren.
De officier van justitie heeft de rechtbank in overweging gegeven om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond en heeft daartoe het volgende aangevoerd:
  • slechts een deel van de feiten zijn op Nederlands grondgebied gepleegd;
  • het onderzoek loopt in België;
  • de bewijsmiddelen bevinden zich grotendeels in België;
  • medeverdachten worden ook in België vervolgd;
  • de aanhouding is louter verricht ten behoeve van het Belgische onderzoek;
  • het Openbaar Ministerie is niet voornemens de vervolging over te nemen.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en toepassing van een facultatieve weigeringsgrond de uitzondering dient te zijn;
- de weigeringsgrond ertoe strekt te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
Gelet het voorgaande en op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanleiding bestaat om de weigeringsgrond toe te passen.

6.Detentieomstandigheden

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gewezen op de tussenuitspraak van deze rechtbank van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:3243), waarin is geoordeeld dat er een reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden die terecht komen in een detentie-instelling waar sprake is van grondslapers waardoor de minimale persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel van 3m2 niet meer is gewaarborgd, alsmede waar sprake is van niet-afgeschermde toiletten. De raadsman heeft vervolgens primair gepleit voor weigering van de overlevering. Subsidiair heeft hij verzocht om aanhouding van de zaak om nadere informatie op te vragen bij de Belgische autoriteiten. Zo moet onder meer duidelijk worden waar de opgeëiste persoon na overlevering zal worden gedetineerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. De opgeëiste persoon zal in Brussel worden vervolgd. De verwachting is dan ook dat hij in die regio zal worden gedetineerd. De detentiecentra in Brussel worden niet genoemd in de tussenuitspraak van 22 juni 2021. De officier van justitie is van mening dat ten aanzien van deze detentiecentra niet kan worden gezegd dat sprake is van een algemeen reëel gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank beschikt niet over actuele, objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens om te komen tot het oordeel dat voor gedetineerden in de detentiecentra in Brussel een algemeen gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling bestaat. De rechtbank is echter van oordeel dat het enkele feit dat de opgeëiste persoon in Brussel zal worden vervolgd, onvoldoende is om aan te nemen dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid in een detentie-instelling in Brussel terecht komt na zijn overlevering.
De rechtbank verzoekt dan ook de officier van justitie om aan de Belgische autoriteiten de volgende vraag te stellen:
-
Zal de opgeëiste persoon naar verwachting gedetineerd worden in één van de 7 detentie-instellingen ten aanzien waarvan de rechtbank in haar tussenuitspraak van 22 juni 2021 een algemeen gevaar heeft vastgesteld?
-
Zo ja,
-
hoeveel individuele celruimte zal hem ter beschikking staan in een eenpersoonscel en hoeveel in een meerpersoonscel en is dit - voor wat betreft de meerpersoonscel - inclusief of exclusief het sanitair mede gelet op de situatie met betrekking tot grondslapers op het moment van beantwoording van de vraag?
-
beschikt deze detentie-instelling over een deugdelijk afgeschermd toilet in de meerpersoonscellen?
Het onderzoek ter zitting zal worden geschorst voor onbepaalde tijd, met dien verstande dat de zaak binnen de hierna te noemen termijn wederom op zitting dan wel in raadkamer zal worden aangebracht om te beslissen over een eventuele verdere verlenging van de beslistermijn.
Een en ander brengt mee dat de rechtbank op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de beslistermijn zal verlengen met 30 dagen, ingaande op het moment waarop de termijn van 90 dagen verstrijkt

7.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd,
met dien verstande dat de zaak binnen de hierna te noemen termijn op zitting dan wel in raadkamer moet worden aangebracht,teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hiervoor door de rechtbank geformuleerde vraag aan de Belgische autoriteiten voor te leggen.
VERLENGTop grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de beslistermijn met
30 dagen;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen dag en tijdstip met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
Aldus gedaan door
mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en E.G.M.M. van Gessel, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 27 juli 2021.
De oudste rechter is buiten staat te tekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.