Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , te Amsterdam, eiseres (hierna: [eiseres] )
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
Rechtbank Amsterdam
Eiseres trad op 25 juli 2018 in dienst bij een werkgever en tekende op 17 januari 2019 een vaststellingsovereenkomst waarin de beëindiging van het dienstverband werd geregeld. Zij vroeg op 28 januari 2020 een WW-uitkering aan met ingang van 1 maart 2019. Het UWV kende de uitkering toe per die datum, maar eiseres maakte bezwaar tegen de ingangsdatum omdat zij meende dat het dienstverband met terugwerkende kracht op 16 december 2018 was beëindigd.
De kern van het geschil betrof de vraag wanneer de schriftelijke overeenstemming over de beëindiging van het dienstverband was bereikt, omdat dit bepalend is voor het moment waarop de opzegtermijn start en dus wanneer het recht op WW-uitkering ontstaat. De rechtbank stelde vast dat de vaststellingsovereenkomst niet eerder dan 17 januari 2019 was ondertekend en dat geen andere correspondentie bestond die eerder schriftelijke overeenstemming aantoonde.
De rechtbank overwoog dat hoewel partijen begin december 2018 overeenstemming hadden bereikt over de beëindiging per 16 december 2018, dit niet voldeed aan het wettelijke schriftelijkheidsvereiste. De opzegtermijn startte daarom op 1 februari 2019 en liep tot en met 28 februari 2019, waardoor de toekenning van de WW-uitkering per 1 maart 2019 correct was.
Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de ingangsdatum van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard.