Uitspraak
2 RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , te Zaandam, eiser,
De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.
Rechtbank Amsterdam
Op 24 augustus 2020 constateerde de heffingsambtenaar dat de auto van eiser zonder betaald parkeergeld stond geparkeerd. De ambtenaar legde daarop een naheffingsaanslag parkeerbelasting op. Eiser, werkzaam bij de politie, voerde aan dat hij zich via een elektronisch systeem later had aangemeld voor een parkeerkaart, nadat hij zich eerst in een papieren register had ingeschreven.
De rechtbank overwoog dat parkeerbelasting direct na het parkeren betaald moet worden, maar dat een redelijke tijd gegund moet worden om de betaling te verrichten, mits de parkeerder steeds bezig is met handelingen gericht op betaling. Uit de gegevens bleek echter dat tussen de controle en de elektronische aanmelding negentien minuten zaten, een termijn die de rechtbank niet als redelijk achtte.
Daarmee concludeerde de rechtbank dat eiser de redelijke termijn had overschreden en dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard wegens overschrijding van de redelijke betalingstermijn.