Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Amtsgericht Tiergarten(Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Tussenuitspraak 7 december 2020
4.Ne bis in idem
5), die in Iran niet als afzonderlijk strafbaar feit aan de opgeëiste persoon ten laste is gelegd. De vrijheidsberoving van de levensgezellin (feit
5) maakt materieel echter wel onderdeel uit van de beschrijving van de poging tot moord op de levensgezellin (feit
1), zoals blijkt uit de in overweging 5.2.2. van de tussenuitspraak opgenomen zakelijke weergave van de feitsomschrijving.
3 en 6is de opgeëiste persoon in Iran - uiteindelijk - onherroepelijk vrijgesproken.
1, 2en
4(en andere feiten die hier niet ter zake doen) is hij in Iran - uiteindelijk - onherroepelijk veroordeeld. Van de gevangenisstraffen die - uiteindelijk - aan de opgeëiste persoon in Iran zijn opgelegd voor de feiten waarvoor hij onherroepelijk is
4veroordeeld tot betaling van een “Diya” aan [persoon] (zijn voormalige levensgezellin), waarvan later werd beslist dat hij deze in verband met onbemiddeldheid niet in één keer behoefde te betalen, maar waarbij een aanbetaling van 200.000.000 Rial diende te worden gedaan, waarna maandelijkse termijnbetalingen van 2% van de “Diya” zouden moeten plaatsvinden. Nadat de aanbetaling en de eerste termijnbetaling waren voldaan, is de opgeëiste persoon in Iran op 5 mei 2019 in vrijheid gesteld. Op 7 september 2020 is in Iran een aanhoudingsbevel uitgevaardigd omdat verdere termijnbetalingen niet zijn gedaan.
3en feit
6, waarvoor de opgeëiste persoon in Iran onherroepelijk is vrijgesproken, op het standpunt gesteld dat de overlevering niet kan worden toegestaan, nu voor deze feiten aan de opgeëiste persoon geen straf is opgelegd.
1, feit
2, feit
4en feit
5) hebben de raadslieden zich op het standpunt gesteld dat de facultatieve weigeringsgrond als genoemd in artikel 9 OLW Pro aan de orde is. In dat verband voeren de raadslieden aan, dat de zogenoemde “Diya” die is opgelegd, geen sanctie is in de zin van het Kaderbesluit en de OLW, maar een schadevergoeding betreft, met een reparatoir karakter. De raadslieden hebben er ter onderbouwing van dit standpunt op gewezen dat de “Diya” in de Iraanse stukken wordt aangemerkt als ‘de financiële vergoeding aan het slachtoffer’ en rechtstreeks aan het slachtoffer moet worden betaald. Voorts kan de betaling van een geldsom niet, zoals door artikel 4 onder Pro 5 van het Kaderbesluit wordt vereist, worden ‘ondergaan’. Daarnaast hebben de raadslieden erop gewezen dat in de Iraanse stukken in de opsomming van de straffen die de opgeëiste persoon per feit zijn opgelegd, niets wordt vermeld over de “Diya”.
1 en 2. Voor deze feiten heeft de opgeëiste persoon de aan hem opgelegde straf wel degelijk ondergaan, nu uit de stukken blijkt dat de opgeëiste persoon voor deze feiten een gevangenisstraf voor de duur van 4,5 jaar is opgelegd. De opgeëiste persoon heeft echter aanzienlijk langer dan 4,5 jaar vastgezeten.
4.De opgeëiste persoon kan in dat geval enkel voor dit feit worden overgeleverd. Voor de overige feiten heeft de opgeëiste persoon de opgelegde straffen reeds ondergaan, zodat zijn overlevering niet kan worden toegestaan.
5vast, dat de vrijheidsberoving van de levensgezellin waarvan de opgeëiste persoon in Duitsland wordt verdacht, en de poging tot moord op zijn levensgezellin, waarvoor hij in Iran is veroordeeld, kunnen worden aangemerkt als hetzelfde feit in de zin van artikel 9, eerste lid, van de OLW. Dit betekent dat dit feit voor de beoordeling van het ‘Ne bis in idem’-verweer op gelijke voet moet worden bezien met de feiten
1, 2 en 4. De rechtbank komt hierop in het navolgende terug.
3 en 6) (zie overweging 5.2.14. van de tussenuitspraak). Zoals hierboven onder 4.1. is overwogen, voorziet artikel 9, eerste lid onder d, juncto tweede lid onder a OLW als gevolg van de wetswijziging thans in een facultatieve weigeringsgrond voor een feit ter zake waarvan een onherroepelijke beslissing door een rechter van een derde land is genomen.
a prioriworden uitgesloten van de werkingssfeer van artikel 4, punt 5, van het Kaderbesluit, ook niet wanneer zij is toegekend door een niet-gerechtelijke autoriteit in het kader van een algemene clementiemaatregel die ook geldt voor veroordeelden die ernstige feiten hebben begaan en die niet berust op objectieve overwegingen van strafrechtsbeleid. Het gegeven dat amnestie is verleend, impliceert in beginsel dat de opgelegde sanctie niet meer ten uitvoer kan worden gelegd in de zin van artikel 3, punt 2, en artikel 4, punt 5, van het Kaderbesluit.
4(ook) een zogenoemde “Diya” opgelegd. De vraag ligt, kort gezegd, aan de rechtbank voor of deze “Diya” kan worden aangemerkt als een ‘straf of maatregel’ als bedoeld in artikel 54 van Pro de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord (Schengen Uitvoeringsovereenkomst, hierna: SUO). [6]
4, niet aan de orde is.
1, 2,en
5. Uit het door de officier van justitie in dit verband genoemde arrest van het Hof van Justitie van 27 mei 2014, C‑129/14 PPU (hierna:
Spasic) volgt naar het oordeel van de rechtbank enkel, dat niet aan de tenuitvoerleggingsvoorwaarde is voldaan, voor zover meerdere hoofdstraffen
per feitzijn opgelegd, waarvan er een nog niet (volledig) is ondergaan. Deze situatie doet zich in dit geval uitsluitend voor ten aanzien van feit
4.
5.Strafbaarheid: Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
Generalstaatsanwaltschaft Berlinheeft bij brief van 5 mei 2020 de volgende garantie gegeven:
7.Slotsom
9.Beslissing
[opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Tiergarten(Duitsland).