Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De vordering en de grondslag daarvan
“eendaadse samenloop van medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”en
“medeplegen van een gewoonte maken van witwassen”.Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld. Veroordeelde heeft volgens de officier van justitie door middel van deze strafbare feiten € 94.456,03 (het wederrechtelijk verkregen voordeel) verdiend. Dat bedrag zou veroordeelde aan de staat moeten betalen.
3.Het wederrechtelijk verkregen voordeel
4.De verplichting tot betaling
5.Toepasselijke wettelijke voorschriften
6.Beslissing
[veroordeelde]de verplichting tot betaling van
€ 89.456,03 (negenentachtigduizendvierhonderdzesenvijftig euro en drie eurocent) aan de Staat.