ECLI:NL:RBAMS:2020:6800
Rechtbank Amsterdam
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters meervoudige strafkamer wegens vermeende vooringenomenheid
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen drie rechters van de meervoudige strafkamer die zaken tegen hem behandelen. Het verzoek betrof vermeende vooringenomenheid en de schijn daarvan, voortkomend uit de gang van zaken tijdens een mondelinge behandeling op 8 oktober 2020 en de wijze waarop een eerdere beslissing tot observatie in het Pieter Baan Centrum werd behandeld.
De wrakingskamer overwoog dat een rechterlijke (tussen)beslissing geen grond tot wraking kan zijn, tenzij de motivering daarvan blijk geeft van vooringenomenheid. De kamer stelde vast dat de rechters geen nieuwe beslissing hoefden te nemen over de observatieplaatsing en dat de verdediging geen instemming hoefde te verlenen voor voortzetting van het onderzoek in de bestaande stand.
De vermeende onduidelijkheid over een pro-forma zitting en het ontbreken van een deskundigenadvies bij de eerdere beslissing werden door de wrakingskamer niet als voldoende grond voor wraking gezien. Er was geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. Het verzoek werd daarom afgewezen en de beslissing is onherroepelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens het ontbreken van gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.