ECLI:NL:RBAMS:2020:6777

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2020
Publicatiedatum
29 december 2020
Zaaknummer
13/751897-20
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 SrArt. 45 SrArt. 140 SrArt. 311 SrArt. 2 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering verdachte georganiseerde diefstal en handel gestolen voertuigen aan België

De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Belgische autoriteiten. De verdachte wordt verdacht van deelname aan een bende die sinds eind 2019/begin 2020 meerdere voertuigen en een brandblustoestel heeft gestolen. Het EAB bevat een gedetailleerde opsomming van 21 afzonderlijke feiten met data, locaties en betrokkenheid, wat volgens de rechtbank voldoende is voor een toewijzing.

De verdediging voerde aan dat de feitomschrijving onvoldoende was om een eerlijk verweer te voeren, maar de rechtbank verwierp dit verweer omdat het EAB voldoet aan de eisen van de Overleveringswet en het strafrechtelijk onderzoek nog loopt. Daarnaast werd onderzocht of de feiten ook strafbaar zijn in Nederland en of er weigeringsgronden zijn, zoals het feit dat één delict in Duitsland is gepleegd. De rechtbank concludeerde dat deze gronden niet aan overlevering in de weg staan, mede door een terugkeergarantie van de Belgische autoriteiten.

De rechtbank besloot de overlevering toe te staan en beveelt tevens de afgifte van in beslag genomen goederen, waaronder een personenauto en diverse voorwerpen, aan de Belgische justitiële autoriteiten. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan België toe en beveelt de afgifte van in beslag genomen goederen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751897-20
RK nummer: 20/4868
Datum uitspraak: 24 december 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 oktober 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 oktober 2020 door de onderzoeksrechter in de Rechtbank van eerste aanleg Limburg (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats] (België),
verblijfadres: [adres],
gedetineerd in Justitieel Complex [locatie te plaats],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

Zitting 1 en 2 december 2020
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 en 2 december 2020, teneinde de gevolgen van het arrest van 24 november 2020 [1] van het Hof van Justitie van de Europese Unie voor de detentie van opgeëiste personen te beoordelen. Op die zitting heeft de rechtbank de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst tot de zitting van 10 december 2020.
Zitting 10 december 2020
De vordering is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 10 december 2020.
Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie
mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon, aanwezig via een videoverbinding, is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J. van Wijk, advocaat te Eindhoven.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en de Belgische nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel, te weten een bevel tot aanhouding bij verstek, op 8 oktober 2020 uitgevaardigd door onderzoeksrechter D. Jordens van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt (referentie: HA I 20/061 - HA.10.L3.416-20).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon.

4.Genoegzaamheid

4.1.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd omdat de feiten niet genoegzaam zijn omschreven. Uit het EAB blijkt niet onder welke omstandigheden de diefstallen zijn gepleegd en op welke wijze de opgeëiste persoon bij de diefstallen betrokken zou zijn geweest. Ook bevat het EAB geen informatie over de tijdstippen waarop de diefstallen zouden zijn gepleegd. Onder deze omstandigheden is het voor de opgeëiste persoon zeer moeilijk om zijn onschuld aan te tonen.
4.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten wel genoegzaam zijn omschreven. Uit de feitomschrijving blijkt waar de opgeëiste persoon van wordt verdacht. De overlevering kan worden toegestaan.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten.
Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.
In de onderhavige zaak is duidelijk waarvoor de overlevering is gevraagd. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon wordt gezocht in verband met de verdenking dat hij onderdeel uitmaakte van een bende die sinds eind 2019/begin 2020 actief was en, in steeds wisselende samenstellingen, een groot aantal voertuigen en een brandblustoestel heeft gestolen. In het EAB zijn 21 gelegenheden nader geconcretiseerd, waarbij telkens per datum is gespecificeerd op welk voertuig de verdenking ziet en op welke datum en in welke plaats het voertuig/het brandblustoestel zou zijn weggenomen. Ook is per feit aangegeven of het een poging of een voltooide diefstal betreft. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de feiten daarmee genoegzaam omschreven. De rechtbank overweegt hierbij dat de overlevering wordt verzocht in verband met een vervolging en dat het strafrechtelijk onderzoek naar de feiten nog niet is afgerond. Of de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten en - zo ja - aan welke specifieke feiten, is ter beoordeling aan de Belgische strafrechter.
De feitsomschrijving dient er niet toe om de opgeëiste persoon tot het voeren van een onschuldverweer in staat te stellen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBAMS:2010:BN7964).
De rechtbank verwerpt het verweer.

5.Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 18 en 26, te weten:
18. georganiseerde of gewapende diefstal
en
26. handel in gestolen voertuigen.
Volgens de in rubriek c) en rubriek e) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Belgisch recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6.Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet aangetoond.
De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

7.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft ook de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
De Procureur des Konings van het Parket van de Procureur des Konings Limburg heeft bij brief van 6 november 2020 de volgende garantie gegeven:
Overeenkomstig artikel 5 paragraaf Pro 3 van het Kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverde Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon] ([geboortedag]1968).
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om deze straf of maatregel daar te ondergaan.
De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.
Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
Aan deze voorwaarde is voldaan.
De feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
telkens: (poging tot) diefstal door twee of meer verenigde personen
en
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
8.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a en b, OLW
Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.
Daarnaast is feit 15 in Duitsland gepleegd. Indien een feit buiten het grondgebied van de uitvaardigende staat is gepleegd, terwijl naar Nederlands recht geen vervolging zou kunnen worden ingesteld indien het feit buiten Nederland zou zijn gepleegd, kan de overlevering niet worden toegestaan, gelet op artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, OLW.
Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Belgische autoriteiten plaats te vinden.
De volgende argumenten zijn aangevoerd:
- het onderzoek is in België aangevangen;
- de medeverdachten zullen in België worden vervolgd;
- het bewijs bevindt zich grotendeels in België;
- de meeste voertuigen zijn in België gestolen, zodat vooral de rechtsorde in België is geschonden;
- de Belgische autoriteiten hebben, door het uitvaardigen van het EAB, kenbaar gemaakt dat zij de opgeëiste persoon willen vervolgen.
Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Verder staat ook artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b OLW, gelet op de Nederlandse nationaliteit van de opgeëiste persoon en de omstandigheid dat het in Duitsland gepleegde feit in Nederland een misdrijf is en het de rechtbank ambtshalve bekend is dat daarop door de wet in Duitsland straf is gesteld, niet aan overlevering in de weg. De rechtbank verwijst in dit verband naar het bepaalde in artikel 7 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

9.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
Daaruit volgt dat de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen.

10.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 7, 45, 140 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6, 7, 13, 49 en 50 OLW.

11.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon](geboren op [geboortedag] 1968 in [geboorteplaats], België) aan de onderzoeksrechter in de Rechtbank van eerste aanleg Limburg (België).
BEVEELTde afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, te weten:
- een handschoen (goednummer 1720662);
- een bivakmuts (goednummer 1720664);
- een afstandsbediening (goednummer 1720665);
- een personenauto (Ford Focus, kenteken [kenteken 1], goednummer 1696670);
- twee kentekenplaten [kenteken 2] en [kenteken 3] (goednummer: 1720679).
Aldus gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en T.B. Trotman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 24 december 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.C-510/19, ECLI:EU:C:2020:953.