De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering tot overlevering van een persoon aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Parket van de procureur des Konings te Turnhout. De opgeëiste persoon, van Marokkaanse nationaliteit en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Tijdens de zitting werd vastgesteld dat het EAB voldeed aan de formele eisen van de Overleveringswet (OLW), waaronder de identiteit van de opgeëiste persoon en de inhoud van het vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen. Hoewel de verdachte niet persoonlijk aanwezig was bij de behandeling van het vonnis, voldeed het EAB aan de verzetsgarantie zoals bedoeld in artikel 12, sub d, OLW. Dit houdt in dat de opgeëiste persoon na overlevering onverwijld wordt geïnformeerd over zijn recht op verzet en hoger beroep, en over de termijnen daarvoor.
De rechtbank stelde vast dat er geen toepasselijke weigeringsgronden waren en dat de officier van justitie ontvankelijk was in haar vordering, mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak ZB. De dubbele strafbaarheid van het feit werd niet onderzocht omdat het feit op de lijst van bijlage 1 OLW staat. Op grond hiervan besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.