ECLI:NL:RBAMS:2020:5610
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Intrekking van drie additionele bedrijfsparkeervergunningen wegens niet voldoen aan voorwaarden
Verzoekster kreeg sinds 1996 drie additionele bedrijfsparkeervergunningen toegekend. Na controle door de gemeente Amsterdam werden deze vergunningen ingetrokken omdat de voertuigen niet voldeden aan de definitie van bedrijfsvoertuig en verzoekster onvoldoende werknemers in dienst had voor het aantal vergunningen.
Verzoekster voerde aan dat op grond van artikel 10 van Pro de Parkeerverordening 2013 maximaal drie extra vergunningen mogen worden verleend aan bedrijven met 15 of minder werknemers, en dat zij hier recht op had. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de voertuigen niet als bedrijfsvoertuigen kwalificeren omdat zij niet over het vereiste grijze kenteken beschikken.
Daarnaast stelde verzoekster dat het vertrouwensbeginsel werd geschonden omdat zij jarenlang over deze vergunningen beschikte en toezeggingen had ontvangen. De rechter verwierp dit omdat er geen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan die rechtens te honoreren verwachtingen scheppen.
Het beroep op de hardheidsclausule werd eveneens afgewezen omdat er geen schrijnende omstandigheden waren. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de drie bedrijfsparkeervergunningen wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.