Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Procesgang
2.Inhoud van het klaagschrift
3.Standpunt van het Openbaar Ministerie
4.Beoordeling
5.Beslissing
ongegrond.
Rechtbank Amsterdam
Op 9 juli 2020 is een bedrag van €2.030,- in beslag genomen bij klager, die wordt verdacht van handel in verdovende middelen. Klager verzocht via een klaagschrift om teruggave van het geld, stellende dat het afkomstig was van de verkoop van zijn scooter en niet aan criminele activiteiten gekoppeld kon worden.
De rechtbank voerde een summiere toets uit zoals voorgeschreven voor klaagschriften ex artikel 552a Sv. Het Openbaar Ministerie stelde dat het geld verband hield met drugshandel, gelet op de vondst van MDMA-pillen, MDMA-poeder en cocaïne bij klager, en dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave.
De rechtbank oordeelde dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter het geld zal verbeurd verklaren of aan het verkeer zal onttrekken, mede omdat klager niet aannemelijk maakte dat het geld uit legale verkoop van zijn scooter afkomstig was. Daarom werd het klaagschrift ongegrond verklaard en het beslag gehandhaafd.
Tegen deze beschikking staat klager beroep in cassatie open bij de Hoge Raad binnen veertien dagen na betekening.
Uitkomst: Het klaagschrift tegen de inbeslagname van €2.030,- wordt ongegrond verklaard en het beslag gehandhaafd.